De familie Ball en haar slaven

'IEMAND MOET het ijs toch breken. En ik moet toegeven dat u een moedig man bent', laat de schrijver een van de geïnterviewden over zichzelf zeggen....

Henk Strabbing

Bovendien: welke blanke Amerikaan heeft er belang bij het vermoeden, of misschien zelfs het bewijs tegen te komen dat hij een paar procent negerbloed in zijn aderen heeft? Het is dan wel bijna 2000 en de slavernij is, formeel althans, al 120 jaar afgeschaft, maar zo'n speurtocht naar de handel en wandel van voorouders moet zeker stuiten op onverkwikkelijke dingen.

De Amerikaanse journalist Edward Ball loopt voor dat onverkwikkelijks niet weg. 'Bij de familie Ball', zo had de vader van de schrijver vaak gegrapt, 'vermijden we vijf gespreksonderwerpen: religie, seks, de dood, geld en negers.' Als de jonge Edward dan vroeg waarover wél gesproken mocht worden, was het steevaste antwoord: 'Daar hebben we het óók niet over.' Vader en moeder Ball kwamen beiden uit een oude, ooit gegoede familie van plantagebezitters.

Edward, geboren in Charleston, kwam in New York terecht en schreef voor kranten en tijdschriften. Maar het verleden, de tweedeling op de plantages tussen baas en slaaf, bleef hem bezighouden. 'De gedachte aan de plantages wekte tegenstrijdige gevoelens bij me op. Ik voelde me trots (al die bijzondere verhalen!) en sentimenteel (al die aandoenlijke types in de familie!), maar tegelijkertijd besefte ik dat het houden van slaven een nog steeds niet helemaal erkende misdaad was geweest.'

Het besluit werd onafwendbaar. Edward Ball moest en zou de geschiedenis van zijn familie en haar slaven naar beste weten en kunnen gaan onderzoeken en beschrijven. En hij wist ook wat de consequentie was: 'De naam Ball, die ooit in een klein hoekje van het land aanzien had genoten, zou er in dat proces waarschijnlijk niet goed van afkomen. Door zo eerlijk mogelijk te beschrijven wat onze familie op haar geweten had, zou ik, hoe vreemd het ook klinkt, onze naam misschien een beetje kunnen zuiveren, opdat we onszelf weer recht in de ogen konden kijken.'

Ball verhuisde voor zijn project terug naar Charleston, de plaats waar hij geboren was. Vandaar ging hij op onderzoek, in familie- en openbare archieven, maar vooral bij (vaak verre) familieleden en nakomelingen van de Ball-slaven. Dit mengsel van archief-ontdekkingen en oral history geeft het boek soms een wonderlijke vaart. Ball heeft het oog van de goede reporter - hij kan in een paar korte zinnetjes perfect sfeer oproepen.

Bovendien had hij het geluk dat de familie Ball, in tegenstelling tot de meeste slavenhouders, vrij veel op papier placht te zetten. Het waren brievenschrijvers en van sommige Ball-plantages bleef ook de boekhouding bewaard. Dat laatste was voor de schrijver van onschatbare waarde, omdat hij via bewaarde lijsten op het spoor van slavenfamilies kon komen.

Slaven hadden vroeger vaak alleen een voornaam. Een grafsteen op een van de Ball-plantages toont, kort maar overduidelijk, hoe het er toen toeging: 'Ter herinnering aan Old Peter, die op 10 januari 1816 is overleden, ongeveer 90 jaar oud, een trouw en eerlijk mens. Geboren en gestorven bij de familie Ball.'

De huidige Balls waren lang niet allemaal gecharmeerd van het plan de familiegeschiedenis te noteren. Achterneef Fitz, arts van beroep: 'Met dat gewroet van jou zul je alleen maar onrust stoken. Mensen zullen er boos om worden en zich in kampen opsplitsen. Daar komt alleen maar ruzie of nog erger van. Ik heb in mijn leven zelfs rassenrellen meegemaakt.' Nog woedender bleek de achterneef over de belangstelling van de schrijver voor het onderwerp seks tussen blank en zwart. Maar de nakomelingen van slaven bleken in het algemeen toegankelijker, en veelal ook geïnteresseerder in het project.

De historie van de Balls in Amerika begon met Elias Ball (1676-1751), boerenzoon uit het Engelse Devonshire, die in 1698 een grote farm erfde in wat nu Zuid-Carolina is. Daar woonden en werkten destijds rond twintig indiaanse en zwarte slaven. Toen hij stierf, had hij vijf blanke kinderen en twee van gemengd bloed bij zijn huishoudster Dolly, een slavin. Het portret, dat hij op zijn 45ste liet schilderen, toont een man die weet wat hij wil. Elias draagt een rode muts en daarom zou deze stamvader in de familie als 'Redcap' bekend blijven.

De Balls boerden goed; ze deden vooral in katoen en rijst. De namen van hun plantages weerspiegelden een zekere achting voor of heimwee naar het oude vaderland: Kensington en Hyde Park. Honderden slaven hadden ze in de loop der tijden.

Een beetje slavenhouder wist wat voor vlees hij in de kuip wilde. Mandinka's of Gambianen waren niet te vertrouwen. Coromantees van de Goudkust waren sterk, maar wrokkig. Popo's gingen door voor betrouwbaar, hardwerkend en goedgehumeurd. Die uit Sierra Leone waren goede 'rijstnegers', want dat verbouwden ze zelf ook. Angolezen hadden technische aanleg, maar waren opstandig.

Twee zwagers van de Balls hoorden tot de grootste slavenhandelaren van hun tijd. In de achttiende eeuw vingen ze gemiddeld 10 procent van de verkoopprijs als provisie. Een sterke jongeman bracht gemiddeld driehonderd dollar op. Gesjoemeld werd er flink. Een van de zwagers schreef aan een vriend: 'Deze lading is van erbarmelijke kwaliteit. De hele kudde heeft uitslag.' Toch adverteerde hij in de krant met 'Zojuist gearriveerd: gezonde slaven.'

De verhalen die Edward Ball van zijn ouders en grootouders had gehoord, waren anekdotes waarin vooral de aardige kanten van de Balls werden belicht. Maar was het zo vreselijk als de schrijver zelf vreesde? Soms biedt hij tegenover een afstammeling van Ball-slaven 'namens zijn familie' excuses aan, maar de discussie die dan volgt, eindigt vrijwel steeds in de logische vaststelling dat hij, Edward Ball, er niets aan kan doen.

Waren de Balls schurken in de slaventijd? Uit het boek komen ze als tamelijk gemiddeld tevoorschijn; ze hoorden niet bij de heel slechten, maar ook niet bij de goeden (zo die er al konden zijn). Het boek geeft intussen een helder inzicht in de verhoudingen tussen baas en slaaf, in alle opzichten.

Meer over