De egomania van Britse Ik-tikkers

Ik werd in 1985 sportjournalist bij de Leeuwarder Courant en een van de eerste dingen die ik bij die voortreffelijke krant leerde was dat ik het gebruik van het woord 'ik' tot een minimum diende te beperken - voor zover ik daarmee naar mezelf verwees althans....

De journalist moest niet tussen het verhaal en de lezers in gaan staan, meende hoofdredacteur Noordmans, die zelfs het signeren van een stuk eigenlijk overbodig achtte en van verwerpelijke ijdelheid vond getuigen. Zijn eigen commentaren ondertekende hij altijd met een sober 'N.'.

Hedendaagse Engelse journalisten zouden dat niet begrijpen. Want in hun kranten is het juist de bedoeling dat de verslaggever zo nadrukkelijk mogelijk op de voorgrond treedt. De meeste Engelse krantenschrijvers zouden niet eens meer weten hoe ze een stukje moesten maken, als hen het gebruik van I zou worden verboden.

De 'persoonlijke journalistiek' beleeft in Engeland hoogtijdagen. Dat blijkt vooral uit het gigantische aantal columns, een heel geschikt genre om lekker vaak 'ik' te kunnen tikken. Vooral in bijlages en kleurenmagazines barst het ervan. In het weekeinde marcheren de stukjesschrijvers in rotten van zes de huiskamers binnen. Vaak is het nog behoorlijk zoeken, om tussen alle columns nieuws te vinden.

De Engelse columnisten schamen zich nergens voor. Geen persoonlijk wissewasje is te triviaal, geen hersenspinseltje te onbenullig voor uitvoerige overweging. Nieuwsfeitjes worden van onderen, boven en opzij bekeken, natuurlijk met veel leuke humor.

Niets blijft de lezer bespaard. Van Tara Palmer-Tomkinson (Sunday Times) weten wij inmiddels dat zij helemaal in de bonen is van een knappe bloemenverkoper in Kensington Church Street - maar ja, ze heeft zulke kleine borstjes -, en dat zij tijdens een gezellige barbecue I Know Him So Well heeft gekaraookt. (Daar heeft ze wel tijd voor, want Palmer-Tomkinson doet de was altijd de deur uit.)

India Knight (The Observer) laat de lezer weten zich 'voor het eerst in jaren fysiek tamelijk aantrekkelijk' te voelen. Alleen jammer dat naar aanleiding van haar column van vorige week een voormalig vriendje kwaad opbelde om te zeggen dat hij geen 'seksueel incontinente dégénéré' was.

En zo gaat dat maar door - columns in Engelse kranten zijn doorgaans een stuk langer dan die in Nederland. Engelsen, in het normale leven gesloten als een kasteel met de ophaalbrug omhoog, veranderen op miraculeuze wijze in exhibitionisten zodra ze een column moeten vullen. Opeens mag de buitenwereld alles weten. Niets is te intiem, alles aan het leven van de columnist, veronderstelt de columnist, is van het hoogste belang voor het snel kleiner wordende groepje sufferds dat nog geen eigen column heeft.

Zou het bij columns blijven, dan was met de journalistieke egomania nog te leven. Ze zijn gemakkelijk herkenbaar en kunnen dus eenvoudig worden vermeden. Maar ook in andere genres rukt het persoonlijke op. In interviews bijvoorbeeld. Deborah Ross in de The Independent besteedt meestal zoveel aandacht aan haar eigen zieleroerselen voor, tijdens en na het vraaggesprek, dat de ondervraagde pas aan het woord komt als het verhaal voor driekwart gevorderd is. In extreme gevallen is pas na gedegen analyse van het 'gesprek' vast te stellen met wie Ross nu eigenlijk aan tafel heeft gezeten.

Ross is lang niet de enige interviewster die de gesprekspartner maar bijzaak vindt. Vraaggesprekken waarin de journalist niet op nadrukkelijke wijze aanwezig is, worden in de Engelse kranten steeds zeldzamer. De opmakers passen zich bij die ontwikkeling aan. 'The John Walsh interview' op de cover van het Independent Magazine wil niet zeggen dat John Walsh wordt geïnterviewd, maar dat John Walsh iemand geïnterviewd heeft. Wie, doet niet terzake. Het gaat om John Walsh.

Een typerende beginzin van een modern interview in een Engelse kwaliteitskrant (in dit geval van Marianne Macdonald in The Observer): 'De fotograaf, Harry, en ik hebben afgesproken dat ik Gravin Spencer zal interviewen voor hij haar foto neemt omdat hij naar achtergronden wil zoeken en ik zo mijn moeder kan zien, die een van haar zeldzame bezoeken aan Londen brengt.'

De Ik-cultuur in de Engelse journalistiek is daarmee nog niet afdoende beschreven. Zo zijn reportages meestal een soort avonturenverhalen waarin de journalist zichzelf de hoofdrol van koene held heeft toegewezen. Naarmate de dappere Kuifje zichzelf aan grotere gevaren heeft blootgesteld, neemt de frequentie van het 'I-woord' toe.

Kampioen Ik-tikker is John Lichfield, correspondent van The Independent in Parijs. Lichfield weet elk nieuwtje uit Frankrijk een persoonlijk tintje te geven. Is er iets met het onderwijs, dan draven zijn schoolgaande kinderen op. Wordt er gestaakt in het openbaar vervoer, dan treedt mevrouw Lichfield voor het voetlicht: zij moet lopend inkopen doen. Inmiddels weten de lezers alles van Lichfields buren, huisdieren, logés en natuurlijk van Lichfield zelf.

Maar wíllen de lezers dat - en de rest van de dagelijkse stroom ontboezemingen - ook allemaal weten? Blijkbaar wel. Engelse krantenredacties hebben over het algemeen gevoelige antennes voor de lezerswensen. De kop boven de column van India Knight in The Observer luidde een paar weken geleden toepasselijk: 'Navelstaren'. De Engelse krantenlezers lusten er kennelijk wel pap van.

Meer over