De cultuur, het gekissebis en de stad

In het gekrakeel rondom het Stedelijk Museum in Amsterdam speelt het stadsbestuur een bedenkelijke rol. Daarnaast is er een tweekoppige museumdirectie die zich niet van zijn beste kant laat zien....

Door Anne van Driel en Rutger Pontzen

Een vrolijk bedrijfsuitje is het niet geworden. Een gezellig samenzijn evenmin. Vorige week bezonnen Stevijn van Heusden en Rudi Fuchs zich op de positie van hun museum. In een hutje op de hei - zoals dat directieleden in zware tijden betaamt.

Op de agenda stond de toekomst van hun Stedelijk Museum. Een toekomst die in een mum van tijd op losse schroeven is komen te staan. Afgelopen maand hakte het Amsterdamse stadsbestuur, na veertien jaar gesoebat, dan toch eindelijk een knoop door: er is slechts 57,6 miljoen euro beschikbaar voor het museum, en daarmee waren de nieuwbouwplannen met één veeg van tafel gemaaid.

Grauw van frustratie zal zakelijk directeur Van Heusden door dat hutje hebben gebeend; futloos moet Fuchs zijn kin op tafel hebben gelegd. Wat was hen de afgelopen maand in godsnaam al niet overkomen? Alternatieve plannen voor de nieuwbouw waren over hen heen gebuiteld, links en rechts waren politici met hun museum aan de haal gegaan.

Hannah Belliot, wethouder van Cultuur, had zich laten kennen als een weinig standvastig bestuurder. Haar standpunt over de toekomst van het Stedelijk veranderde binnen het uur: van de oproep het verwaarloosde pand aan het Museumplein - ingebed tussen het Van Gogh en het Rijks - grondig te renoveren en daarnaast een filiaal aan de Zuidas op te richten. Tot het voorstel het gehele Stedelijk maar te verkassen naar de Zuidas - het 'waaigat' op een kwartier fietsen van het culturele stadshart, waar binnen twintig jaar een prestigieuze kantoren/woonwijk moet verrijzen.

Van de algehele verwarring had wethouder van Financiën Geert Dales zich ondertussen handig meester gemaakt. Met zijn uitspraak dat Fuchs 'niet meer de juiste man op de juiste plek was' had hij de museumdirecteur officieel tot aangeschoten wild verklaard.

En het Stedelijk? Het Stedelijk had zich in dat korte tijdsbestek naar een zijlijn laten manoeuvreren. Terwijl de politieke discussie werd gedomineerd door de vraag naar geld, riepen de conservatoren op het vooral over de inhoud van hun museum te hebben - zónder daar concrete voorstellen toe te doen. Rudi Fuchs verklaarde keihard 'nooit naar de Zuidas' te verhuizen, maar steekhoudende argumenten gaf hij niet.

Gekissebis over en weer, dat bepaalt de discussie. Je zou bijna vergeten dat hier de toekomst van het belangrijkste museum voor moderne kunst in Nederland in het geding is. Een museum met een ongekend rijke traditie, en torenhoge ambities - die de laatste jaren misschien niet altijd zijn ingelost.

In 1895 opende het Stedelijk Museum zijn deuren. De collectie hedendaagse kunst was door de Amsterdamse burgerij, onder aanvoering van handelaar/verzamelaar Van Eeghen, bijeengebracht. Door daadkrachtig optreden van het stadsbestuur - die een erfenis van de steenrijke weduwe Lopez Suasso wist binnen te slepen - kwam er voor die verzameling ook een gebouw. Niet in het centrum, zoals voor de hand lag: het rode bakstenen gebouw van stadsarchitect Weismann verrees aan de rand van de binnenstad, waar tussen het Concertgebouw en het Rijksmuseum de koeien graasden en de grond een stuk goedkoper was.

Het zou nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren eer het Stedelijk opbloeide tot een museum van internationale allure, met de eigentijdse kunst als ruggengraat. Dat gebeurde onder Willem Sandberg (1945-1962), die vanaf het begin zijn stempel op het museum drukte. Als conservator stuurde hij de toenmalige directeur Roëll een weekje met vakantie, om het bedompte interieur wit te kalken.

Als directeur wist hij later de Malevitjs-collectie binnen te slepen, en de Picasso's en Chagalls uit de collectie-Regnault. Tegen alle protesten in organiseerde hij de eerste overzichtstentoonstelling van CoBrA. En ondanks dat het economische tij bepaald niet mee zat, lukte het hem in 1954 een nieuwe vleugel aan de achterzijde van het museum te plaatsen, die door zijn grote raampartijen het maatschappelijk belang van de kunst etaleerde.

Sandberg ontpopte zich als een geslepen onderhandelaar die de politieke speelruimte haarscherp aanvoelde. Al had hij de valkuilen van de conservatieve gemeentepolitiek nooit kunnen omzeilen zonder de steun van cultuurwethouder De Roos. Directie en gemeentebestuur fungeerden in die dagen als een gouden tandem.

Tegenwoordig gaat het iets anders. De veertien jaar durende perikelen rond de nieuwbouw van het Stedelijk werden gekenschetst door miscommunicatie: door halve afspraken en hele plannen, die werden afgeschoten voordat ze in uitvoering konden worden gebracht. Dat begon al met museumdirecteur Wim Beeren, die Venturi voor de nieuwbouw verkoos. Maar het voorstel dat de Amerikaanse architect ontwierp op basis van het door Beeren geformuleerde pakket van eisen viel veel groter en duurder uit dan door de gemeenteraad was begroot.

Die lijn werd onbedoeld voortgezet toen Beerens opvolger Rudi Fuchs architect Siza in de arm nam. Op het moment dat de gemeenteraad het Stedelijk in 1998 op pad stuurde om 'aanvullende financiering' te vinden voor de Siza-vleugel, stond Fuchs klaar met een onhandig sponsorcontract. De 'autoshowroom' die Audi in het nieuwe museum zou krijgen, leidde tot fel oproer - en opnieuw uitstel.

Tien jaar heeft de Portugees eraan getekend. Met als resultaat een keur aan ontwerpen: Siza I, Siza II, Siza III en Siza IV. Maar intussen is nog geen steen gebakken.

Dat het ook directeur Fuchs aan zakelijk talent ontbrak, bleek wel toen in 2000 Stevijn van Heusden, topambtenaar van het ministerie van OCW, als zakelijk directeur naast hem werd aangesteld. De problemen die Van Heusden inventariseerde: geen 55 miljoen maar 120 miljoen gulden zou de nieuwbouw moeten gaan kosten; het onderhoud aan het museumgebouw en de collectie konden 'zorgwekkend' worden genoemd. Fuchs had de begroting daarvoor verlaagd, ten gunste van een verruiming van het budget voor tentoonstellingen. Wat te verdedigen was, stelde Van Heusden destijds diplomatiek: dankzij die tentoonstellingen zat het Stedelijk 'dicht op de huid' van de tijd.

Was dat maar zo. Fuchs begon zijn directoraat in 1992 veelbelovend, als triomfator werd hij binnengehaald. De 'Coupletten', een nieuwe vorm van collectiepresentaties, waren een doorbraak. Schilderijen en beelden werden zonder chronologische samenhang met elkaar in dialoog gebracht. Tegen gekleurde muren. Lang mocht dat experiment niet duren, na vijf afleveringen hield het abrupt op. Het publiek begreep het niet, de bezoekers bleven thuis.

Met terugwerkende kracht herwonnen Fuchs' voorgangers aan betekenis. Hoe conventioneel Edy de Wilde de erfenis van Sandberg ook had uitgebouwd met schilderijen, hij haalde wel topwerken van Newman, De Kooning en Léger binnen. Zijn opvolger, Wim Beeren, oogstte waardering met losse tentoonstellingen van Russen, Oost-Europeanen, Zuid-Amerikanen en jonge Noord-Amerikanen, zoals Jeff Koons.

Fuchs verzandde na verloop van tijd in zijn eigen modernistische retoriek. In bloemrijk taalgebruik schreef hij over de traditie van Malevitsj en Mondriaan en hoe je die traditie naar het heden kon doortrekken. Maar hoe vermoeiend is het als dat heden steeds maar weer door dezelfde namen wordt ingevuld: Baselitz, Immendorf, Donald Judd en Günther Förg.

Naast het Rijksmuseum en het Van Gogh verweesde het Stedelijk meer en meer tot het stiefkindje aan het Museumplein. In de afgelopen tien jaar daalde het aantal bezoekers met 20 procent, van 500 duizend naar 400 duizend per jaar. Overal langs de Paulus Potterstraat staan toeristen in de rij, zei voormalig zakelijk directeur Hugo Bongers in 1997: voor het Rijksmuseum, het Van Goghmuseum en de diamantairs van Coster, maar niet voor het Stedelijk. Buitenlanders die wél de weg weten te vinden, zien verbijsterd dat de helft van de zalen doorgaans is gesloten en de andere helft is gevuld met werk waar geen touw aan vast te knopen valt.

Zakelijk en inhoudelijk viel er dus wel wat op aan te merken, toch schroefde het museum samen met het stadsbestuur de ambities voor de nieuwbouw op. Toen Amsterdam eind 2000 eindelijk groen licht gaf voor een ontwerp van Siza en de eerste paal de grond in kon, bliezen Van Heusden en cultuurwethouder Bruines het nieuwbouwplan plots af.

Inmiddels was bekend geworden dat het Rijksmuseum voor zijn renovatie op een rijksbijdrage mocht rekenen van 345 miljoen gulden. Dat willen wij ook wel, moeten ze bij het Stedelijk hebben gedacht. Niet alleen nieuwbouw, ook een collectiecentrum moest er komen. Met depots, een bibliotheek en kantoren in Amsterdam-Noord.

Het bleek ijdele hoop. Ondanks pogingen het Rijk te vermurwen voor een aanvullende subsidiëring, heeft Den Haag nooit één cent toegezegd. Het moet de gemeente Amsterdam op de gedachte hebben gebracht ook háár bijdrage strikt te beperken tot 57,6 miljoen. En geen euro meer. Die weinig coulante houding is de gemeentelijke rekenmeesters de laatste weken behoorlijk kwalijk genomen.

Als uitweg voor het debacle kreeg het museum een onderkomen aan de Amsterdamse Zuidas voorgeschoteld. Wethouder Dales van Financiën en Stadig van Grootstedelijke Planning zagen het helemaal voor zich: een nieuw te bouwen museum voor de 21ste eeuw langs de A 10, in combinatie met of in plaats van het Stedelijk aan het Museumplein. Een museum voor de toekomst dat in alle culturele noden zou voorzien, op een Europees knooppunt in Amsterdam-Zuid, met woningen en bedrijven, en rechtstreekse treinverbindingen naar Parijs en Keulen.

Fuchs heeft zich er vanaf het begin tegen verzet. Net als tweeduizend ondertekenaars uit de kunstwereld die de splitsing een doodzonde vonden tegen het historische besef dat het Stedelijk met haar twintigste-eeuwse collectie onvervreemdbaar is van het Rijks (de schatkamer van de Gouden Eeuw), het Van Goghmuseum (dat zich ontpopt heeft als negentiende-eeuwse staalkaart) en het Concertgebouw.

Wat Sandberg na de Tweede Wereldoorlog in tijden van conservatisme en conjuncturele laagtij voor elkaar kreeg, is Fuchs en Van Heusden niet gelukt ondanks de economische bloei en artistieke vrijheid van de afgelopen jaren. Toch heeft die malaise Fuchs en Van Heusden niet weerhouden zich te blijven afficheren als een moderne kunsttempel van nationaal belang. In hun laatste, glossy prospectus vergelijkt het museum zich zelfs met die andere roemrijke musea uit het buitenland: Tate Gallery, MoMA, Centre Pompidou.

Maar heeft juist de Tate niet aangetoond dat verdeling van haar collectie en tentoonstellingsbeleid over meerdere gebouwen een levensvatbare optie kan zijn? Vorig jaar opende de Tate aan de afgelegen South Bank in Londen een nieuw filiaal, waar de hedendaagse kunst kan gloriëren. Nu al trekt de Tate Modern aan de zuidoever van de Thames meer bezoekers dan de oude Tate ooit heeft gedaan.

Verzet tegen opsplitsing van het Stedelijk is overtrokken. Sterker, het museum is allang 'gedeeld'. De laatste tien jaar wordt het tonen van eigentijdse kunst uitbesteed aan haar winkeldochter aan de Rozenstraat, op een kwartier lopen van het Museumplein. Als speeltje van een paar conservatoren was het in de eerste plaats een excuus om in het hoofdgebouw géén eigentijdse kunst te laten zien. Weggestopt op een locatie van nauwelijks tweehonderd vierkante meter heeft het filiaal nooit de ruimte heeft gekregen die het verdiende.

De bezwaren tegen de Zuidas zijn even kleingeestig als voorbarig. Ze worden niet alleen door de angst voor opsplitsing of verhuizing ingegeven. Wat het Stedelijk kennelijk nog meer vreest, is te worden ingekapseld door het bedrijfsleven en de ambities van twee wethouders wier artistieke credo kortweg neerkomt op: wat goed is voor het bedrijfsleven is ook goed voor het museum.

Tussen verbeelding en macht ligt een dunne lijn, zei Fuchs tijdens een VPRO-uitzending. Hij suggereerde dat de Amsterdamse gemeente, door het Zuidas-plan te lanceren, die dunne lijn had overschreden. Het voorstel was een ongenode vermenging van politiek en kunst.

Fuchs had gelijk. Maar waarom zou hij, als artistiek directeur, niet doen wat Sandberg voor hem deed: de politiek naar de hand zetten. Hebben gemeente en bedrijfsleven langs de A 10 niet verklaard een museum als het Stedelijk nodig te hebben als culturele trekpleister?

Het museum kan zich blijven verzetten tegen een gebouw aan de Zuidas, het kan ook zijn uitzonderingspositie uitbuiten en de kansen aangrijpen die het krijgt. Op eigen voorwaarden. En onder scherp geformuleerde condities. Een museum dat internationale allure nastreeft, past de rol van slachtoffer niet.

Meer over