De castraat

Bronstige zinnetjes, in een geslaagde historische roman over een castraat

Pjotr van Lenteren

Muziek is zijn eerste liefde, maar misschien ook meteen zijn laatste. Het citaat van popcomponist John Miles (zijn song Music was my first love was een wereldhit) krijgt een dubbelzinnige lading, wanneer het als motto wordt gebruikt op de eerste bladzijde van De castraat.

In deze historische jeugdroman verhaalt Joyce Pool (1962) over een leerlooierszoon die goed kan zingen, een Florentijns conservatorium met misschien iets te doortastende docenten en een wel erg opdringerige mecenas.

Interessant, want: liefde, hoe werkt dat als je vlak voor je puberteit onvrijwillig bent ontmand, op een slaapzaal tussen hitsige koorknapen ligt en bent voorbestemd tot een leven in de kerk? Pool, een tot nu toe weinig opvallende schrijfster van historische jeugdboeken, mikt met bronstige zinnetjes over bonkende jongens, rijpe bramen en ronde peren zonder omhaal op de onderbuik.

Pool lijkt een compromis te hebben gezocht tussen de degelijke school van Thea Beckman en meer moderne, confronterende historische jongerenromans, zoals Wolfsroedel (2003) en Schijnbewegingen (2005) van Floortje Zwigtman. Dat belooft een kijkje in het verleden dat rode oortjes geeft, leerzaam is en ook nog aan het denken zet.

Haar onderwerp is er boeiend genoeg voor. Bijna niemand kan zich de stem van een castraat nog voorstellen. Vergeet die machinaal uit een countertenor en een mezzosopraan samengestelde playback-zang in de castratenfilm Farinelli (1994). Zoals valt op te maken uit de zeldzame opname van Allesandro Moreschi (1858- 1922) is het geluid van een castraat vergelijkbaar met man noch vrouw. Zelfs een kinderstem klinkt wezenlijk anders.

Wie Moreschi hoort, kan zich iets van de begerigheid van toenmalige monniken en priesters voorstellen. Met praktische overwegingen - vrouwen mochten van de paus niet optreden - had hun passie niets van doen: mannen zonder mannelijkheid symboliseerden de hemelse engelen, niets meer en niets minder.

Dat aspect van de roman heeft Pool goed uitgewerkt. De details boeien en overtuigen en de vanzelfsprekende, allesoverheersende aanwezigheid van God en het hiernamaals is geloofwaardig getekend. Het maakt hoofdpersoon Angelo Montegne een geslaagder historisch personage dan de gebruikelijke, individualistisch denkende jongeren in de doorsneegeschiedenisroman.

Hier en daar is Pool ook humoristisch, bijvoorbeeld als ze vertelt hoe concurrerende conservatoria castraten verhuren aan huishoudens waar een dode te betreuren valt. En met het opvoeren van mecenas Ferdinando de' Medici, die duidelijk niet alleen in de gezangen van de castraten is geïnteresseerd, brengt ze zelfs een element van onafwendbaar onheil in het verhaal.

Nee, muziek was geen stoffige bezigheid rond 1698; zoveel is duidelijk. De enige zwakte in de roman is dat Pool van Angelo toch een zo gewoon mogelijke jongen probeert te maken. Ondanks zijn onwaarschijnlijke talent, de rijkdom en het lonkende succes blijft hij verlangen naar een eigen leerlooierij, een vrouw en kinderen. Dat al dat andere hem zo goed als koud laat en hij er van meet af aan met een irritant soort vanzelfsprekendheid voor wegloopt, wringt.

Daar staat tegenover dat Pool, in het dagelijks leven lerares op een middelbare school, haar materie bijzonder toegankelijk heeft gemaakt. Dat al dat moois de kans loopt werkelijk door jongeren gelezen te worden, is ook wat waard. Angelo mag dan liever kleinburgerlijk blijven, De castraat is een van de interessantere bijdragen aan de historische jeugdliteratuur van de laatste tijd.

Meer over