boekrecensie

De boeken die wij nu hoogtepunten vinden, werden in de 19de eeuw nauwelijks gelezen ★★★★☆

Marita Mathijsen schreef een nieuwe literatuurgeschiedenis van de 19de eeuw, vanuit het perspectief van de lezer van toen.

null Beeld Martyn F. Overweel
Beeld Martyn F. Overweel

L heet het boek van Marita Mathijsen, een prachtig geïllustreerde geschiedenis van de Nederlandse letterkunde van de 19de eeuw. Die L, van lezer, onderscheidt het boek van alle eerdere literatuuroverzichten, zoals die van Gerard Knuvelder, de nachtmerrie van generaties studenten Nederlands; academische verhandelingen over schrijvers en boeken en de wijze waarop die werden ontvangen door de kritiek. Mathijsen introduceert een merkwaardig genoeg grotendeels vergeten partij: de lezers.

Ze stelde zichzelf daarmee voor een onmogelijke opdracht: over het lezerspubliek van de 19de eeuw zijn maar weinig gegevens bekend. We hebben dagboeken, we weten in sommige gevallen welke boeken er werden gelezen in de talloze leeskringen die Nederland rijk was, maar een volledig beeld valt daaruit niet te destilleren. Het betreft een kleine groep mensen, meestal afkomstig uit de steden: de lezende elite.

Soms is bekend hoe groot de oplagen van de boeken waren of hoe lang het duurde voor een tweede druk werd opgelegd – indicaties van populariteit – en natuurlijk waren er de letterkundige tijdschriften. Maar die hadden meestal zo’n kleine oplage, dat aandacht voor een boek weinig zei over de populariteit onder het grote publiek.

Dagboek

Mathijsen lost dat probleem op door L te introduceren, de lezer van de 19de eeuw. Meestal is L een man, soms een vrouw en ook een keer een dochter. In een soort dagboekaantekeningen houdt L de lezer op de hoogte van zijn of haar leesavonturen: wat hij ’s avonds voorleest aan zijn kinderen, wat er wordt gelezen in zijn leeskring, welke schrijversavonden hij bezoekt, wat zijn mening is over de literaire debatten van zijn tijd.

Mathijsen maakte twee versies van haar boek, een zonder L, een met. Ze koos uiteindelijk voor de tweede. Ze onderbreekt met grote regelmaat haar literair-historische verhaal voor een bijdrage van L.

De L van de 19de eeuw is ongrijpbaar. In het begin van de nieuwe eeuw stort hij zich op Bilderdijk, Tollens, Loots, Helmers, Loosjes en Wolff en Deken. Bilderdijk, een opportunistische reactionair, is de Grote Eén van de Nederlandse literatuur. In Nederland bestaat de taak van de schrijver er dan nog voornamelijk uit actuele gebeurtenissen van een poëtisch-moralistisch sausje te voorzien of taferelen uit Hollands verleden tot leven te wekken; het resultaat is een brei van nationalistisch gelegenheidsgerijmel. Tollens schrijft een gedicht op het eerste tandje van zijn dochtertje – een gedicht dat L wel kan bekoren.

De Nederlandse literatuur is muf, in zichzelf gekeerd en wars van avonturen. Terwijl in Frankrijk in 1830 Stendhals Le Rouge et le Noir verschijnt en een schandaal veroorzaakt – misschien dat een enkele Nederlandse L het in het Frans las, Mathijsens L in elk geval niet – schrijft Jacob van Lennep Hulde aan de nagedachtenis van Hollands zeeheld J.C.J. van Speyk, die zichzelf en zijn schip in de haven van Antwerpen had opgeblazen.

Romantiek

Maar er verandert ook iets, in de Nederlandse leesgewoonten. Onder invloed van verhalenvertellers als Walter Scott, Alexandre Dumas en Victor Hugo, de romantische tijdgeest en de groeiende invloed van tijdschriften als De Gids, verschuift de aandacht van poëzie naar proza: Van Lennep komt in 1834 met De pleegzoon, de eerste oorspronkelijke historische roman in de Nederlandse letteren. De schrijver wordt schrijver en de lezer verandert mee. Niet langer is hij uit op kennis, hij wil vermaakt worden. L, een vrouw ditmaal, vindt het prachtig. Tien jaar later, in 1840, publiceert Van Lennep zijn bestseller De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Geertruida Toussaint, een Alkmaarse apothekersdochter, breekt door met Het huis Lauernesse.

Als de aandacht verschuift van romantiek naar realisme zien we een oude bekende opduiken: dominee Nicolaas Beets (‘Hildebrand’) met zijn Camera Obscura, over eigentijdse, echte mensen, waarmee hij in de voetsporen treedt van Stendhal, De Balzac en Dickens. ‘Wat ik zo goed vindt in de Camera is dat hij onszelf zo te kijk zet’, schrijft L.

Buitenlandse schrijvers worden niet veel gelezen, als je afgaat op Mathijsens L. Ook omdat ze meestal niet in de landstaal beschikbaar waren. Er zijn uitzonderingen. Melvilles Moby Dick wordt pas in 1929 integraal vertaald, maar in februari 1853 heeft NRC een navertelling in feuilletonvorm gepubliceerd, Hector Malots Sans famille wordt in 1880 vertaald en veel gelezen, Beecher Stowes Uncle Tom’s Cabin is een jaar na de eerste Amerikaanse uitgave zelfs een echte bestseller, met vier drukken binnen een jaar en een volksuitgave die maar 90 cent kost. ‘Nu weet ik wel dat ik dominee ga steunen die lid is van de Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij’, noteert mevrouw L in haar dagboek.

In 1860 verschijnt de heldere ster aan het Hollandse literatuurfirmament van de 19de eeuw: ‘de’ Max Havelaar. L is geschokt. Het is hem te grof, te kwetsend en te wraaklustig. ‘Multatuli is voor mij een gesloten boek.’ Hij heeft het boek weggesmeten. Hij zal de enige niet zijn geweest. Maar het boek wordt wel gretig gekocht, schandaal helpt.

Tachtigers

Dat Mathijsens met haar alternatieve benadering iets toevoegt, blijkt uit ‘De toptien van de negentiende eeuw: toen en nu’ in haar slothoofdstuk. Wat wij nu zien als de literaire hoogtepunten uit die eeuw – de boeken die de tijd hebben overleefd – (behalve Max Havelaar ook Snikken en grimlachjes van François HaverSchmidt, Couperus’ Eline Vere en De stille kracht, Gorters Mei, Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants, Kloos’ Verzen en Van de koele meren des doods van Van Eeden) komt er niet één terug in L’s dagboeken. L is natuurlijk Mathijsen zelf, dus ze had ze ook allemaal kunnen voorleggen aan haar ideale lezer, maar dat was historisch gezien valsspelen geweest.

De genoemde namen werden in hun eigen tijd niet of nauwelijks gelezen, ondanks de faam die de Tachtigers tot op de dag van vandaag genieten. De Nieuwe Gids, hun spreekbuis, had vijfhonderd abonnees, het duurde vijftien jaar voor Jacques Perks Gedichten een herdruk beleefden, na de eerste druk van ‘de’ Mei van Gorter volgde nog één kleine herdruk. Van Deijssels Een liefde werd in een oplage van vijfhonderd gedrukt en raakte niet uitverkocht. De lezer moest ze niet, hij las liever De lotgevallen van Klaasje Zevenster of De dichtwerken van Peter de Génestet.

Literatuurhistorici, critici en lezers verschillen van elkaar – dat is nog steeds zo – maar Mathijsen geeft de lezer een stem. Dat maakt dat je kijk op de 19de-eeuwse literatuur verandert.

null Beeld Balans
Beeld Balans

Marita Mathijsen: L De lezer van de 19de eeuw. Balans; 464 pagina’s; € 29,95.

Meer over