BoekrecensieBestaat er een raarder leven dan het mijne?

De biograaf van veelschrijver Jef Last had een overvloed aan materiaal om uit te kiezen ★★★★☆

Nu hoor je zijn naam zelden meer, maar bij leven was veelschrijver en verzetsman Jef Last wereldberoemd in Nederland. Van de vele draden in zijn kloeke biografie is Lasts politieke werdegang het interessantste.

null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen

Hoe komt het toch dat publieke persoonlijkheden die in hun eigen tijd voor veel reuring zorgden dikwijls zo snel in vergetelheid raken? Journalist, veelschrijver, Spanjestrijder, verzetsman, polyglot, sinoloog en homo-activist avant la lettre Jef Last was zo iemand. Rond zijn 30ste bereikte hij de status van wat je nu een BN’er zou noemen. ‘Iedereen’ kende hem en hij kende ‘iedereen’. Na zijn dood viel zijn naam zelden meer.

Rudi Wester besloot in de jaren tachtig om Lasts biografie te schrijven. Worstelen sommige biografen met een tekort aan materiaal, voor haar vormde juist de overvloed het probleem. Niet alleen was de gebiografeerde een hysterisch harde werker die een onafzienbaar oeuvre bij elkaar tikte, Wester moest ook een keuze maken uit honderden brieven, (deels) ongepubliceerde dagboeken en memoires, en talloze getuigenissen.

Jef Last (1898-1972) groeide op in een gegoede bourgeoisfamilie, als enige zoon van een strenge vader en een lichtzinnige moeder, die hem tot op het bot verwende. Als jonge twintiger al besloot hij radicaal te breken met dit milieu en ‘proletariër’ te worden. Helemaal slagen zou hij daarin niet. De bekakte dictie die hij van huis uit had meegekregen zou hij nooit kwijtraken, dat verwendejongetjesgedrag evenmin. Zo vond hij het volstrekt vanzelfsprekend dat anderen voor hem draafden en kon hij commanderen als de beste. Zijn goede vriend, de bijna dertig jaar oudere Franse schrijver en latere Nobelprijswinnaar André Gide, bezag het met mildheid. Last, schreef hij, was ‘tegelijkertijd egoïstisch door verstrooidheid en buitengewoon edelmoedig in zijn gedachten en zijn daden’.

Homoseksualiteit

Ook toen hij de term ervoor nog niet kende, besefte Last dat hij op (jonge) mannen viel. Het liefst verkeerde hij in gezelschap van ruwe zeebonken en stoere arbeiders. Zijn coming-out kwam pas na tien jaar huwelijk, onder invloed van de erotisch beduidend minder scrupuleuze Gide. De liefde die hij opvatte voor een visserman verwerkte hij in de roman Zuiderzee. Voor zijn vrouw, schrijft Wester, moet het ‘een schok’ zijn geweest, maar ze bleven bij elkaar. Dat wil zeggen: zij zorgde als vanouds voor hun drie dochtertjes en voor eten op tafel, hij kwam tussen zijn vele reizen door soms even langs. Later zou Last zijn homoseksualiteit (en de biseksualiteit die er volgens hem ‘onafscheidelijk’ mee verbonden was) het ‘centrum van mijn hele leven’ noemen, ‘de bron van alle inspiratie én van alle ellende’.

In eigengereidheid deed Ida Last-ter Haar (1893-1984) trouwens niet voor haar man onder. Ze kwam net als hij uit een goedburgerlijke familie, maar gaf net als hij totaal niet om bezit en had net als hij een warm kloppend hart voor wie aan de onderkant van de samenleving verkeerden. (In 1949 zou ze voor de schoffies van Amsterdam het onvolprezen Circus Elleboog oprichten, dat het meer dan zeventig jaar zou uithouden.) Een beetje à la Nicolien uit Het Bureau bleek ze soms roomser dan haar echtgenoot. Als je je echt voor de arbeiders wilde inzetten, vond zij, dan kon je niet voor een kapitalistisch bedrijf werken. Dus nam hij, midden in de crisistijd, ontslag bij de fabriek waar hij destijds een goeie boterham verdiende. Voortaan leefde hij voornamelijk van zijn pen.

Jef Last Beeld Collectie Literatuurmuseum
Jef LastBeeld Collectie Literatuurmuseum

Grondeloos naïef

Van de vele draden in dit kloeke boek is Lasts politieke werdegang veruit de interessantste. ‘Een werkelijk levend mens’, was zijn adagium, ‘moet voortdurend in conflict met de maatschappij zijn.’ En: ‘Het is beter staand te sterven dan geknield te leven.’

Lang was hij er met aandoenlijke ernst van overtuigd dat de rode dageraad spoedig daar zou zijn. Het verhaal wil dat hij ooit een briefkaart verstuurde aan dichter Jac. van Hattum met de tekst: ‘Beste Jaap, ik kan vanmiddag niet bij je komen, zoals we hadden afgesproken, want ieder ogenblik kan de revolutie uitbreken en ik kan daarbij niet worden gemist.’ Van de S.D.A.P. en enkele splinters ter linkerzijde daarvan stapte hij in 1932 over naar de Communistische Partij Holland, de latere CPN. Dat deed hij nota bene meteen ná een verblijf in de Sovjet-Unie, waar hem volgens Wester langzaam ‘de schellen van de ogen’ waren gevallen. Niet alleen door wat hij daar zag, ook doordat de autoriteiten hem gedurig tegenwerkten. In zijn grondeloze naïviteit dacht hij dat het partijlidmaatschap hem daarvan zou verlossen. Quod non, zoals spoedig zou blijken.

Pas na een tweede (schrijvers)reis door de Sovjet-Unie, onder meer met Gide, kreeg hij last van zijn geweten en kon hij zijn twijfels niet langer voor zich houden. Vanaf dat moment was hij in stalinistische ogen verdacht. Zijn homoseksualiteit deed de rest. Heimelijk, want tegen de partijlijn in, sloot hij zich aan bij de republikeinen in de strijd tegen het Spaanse fascisme. Zijn nog altijd leesbare Brieven uit Spanje getuigen ervan. Tussen de gevechten door leerde hij de boerenjongens van de compagnie die hij aanvoerde lezen en schrijven (en meer). Maar zijn reputatie was ook tot Spanje doorgedrongen, al had hij dat zelf eerst niet in de gaten. Hij werd beticht van ‘trotskistische’ sympathieën, erger kon bijna niet. Uiteindelijk werd hij weggepromoveerd naar een onbeduidende post en keerde terug naar Nederland, ontgoocheld en statenloos. In 1938 zegde hij zijn partijlidmaatschap op. De CPN begon een lastercampagne tegen ‘het geval Jef Last’ die tot aan zijn dood zou duren. Nog in het Rosa Spierhuis, waar hij zijn laatste jaren sleet, trachtte medebewoner Annie Romein-Verschoor hem naar eigen zeggen ‘met een ziedende blik te vernietigen’.

Vanzelfsprekend rolde hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet. Pikant: de nazi’s zetten het ongelooflijke bedrag van 10 duizend gulden op zijn hoofd, maar zelf bleef hij benauwder voor de lange arm van Moskou. Met meer mazzel dan wijsheid wist hij heelhuids uit de onderduik te komen.

Even vanzelfsprekend koos hij ook in de Indonesische kwestie de goede kant: vóór het onafhankelijkheidsstreven, tegen Nederlands koloniale eigenwaan. En dan waren er de talloze vertalingen die hij maakte, zijn liefde voor China (hij herkende meteen de leugen van de Culturele Revolutie), de rol die hij speelde in de oprichting van de voorloper van het COC – het ene project was nog niet ten einde of hij stortte zich alweer op het volgende.

Nadelen van zijn enthousiasme

Vóór hem spreekt dat hij de nadelen van zijn enthousiasme heel goed besefte. In zijn oorlogsdagboek schreef hij: ‘Mijn grote karakterfouten zijn altijd geweest: een veel te grote verstrooiing van mijn belangstelling, de overijlde haastigheid van mijn begeerte, gebrek aan wilskracht om deze onbeheerstheid in toom te houden.’ Die zelfkennis strekte zich niet uit tot zijn nogal gebrekkige vaderschap. Zijn drie dochters keken althans met weinig warmte op hem terug. Als ze hun vader al zagen, zei de oudste later, was hij totaal niet in hen geïnteresseerd. ‘Ik heb me altijd verbaasd (…) hoe hij in godsnaam allemaal dingen over mensen kon schrijven waarvan ik dacht: hé, dan moet hij toch ooit naar die mensen gekeken of geluisterd hebben. Wanneer zou hij dat hebben gedaan? Thuis in elk geval niet.’

De mensheid hartstochtelijk liefhebben, de mens nauwelijks zien staan – Last was beslist niet de enige in linkse kringen.

In zijn nadagen gleed hij weg in verbittering, een valkuil waar voorheen grote namen vaker in tuimelen. Waar bleef de erkenning voor het pionierswerk dat hij had verricht? Waarom ontving schrijver X wel een grote prijs en hij niet? Hij zocht aansluiting bij de provo’s, maar daar zagen ze de bejaarde revolutionair met het bekakte accent vooral als curiosum.

Begin februari 1972 was het genoeg. Last ging met zijn blote bast een nacht in de vrieskou zitten. Zo liep hij de longontsteking op waaraan hij een paar dagen later zou overlijden. Volgens zijn biograaf wilde hij geen ‘flauwekulpraatjes’ aan de kist. Die had hij, vond hij, in zijn leven al genoeg gehoord.

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus

Rudi Wester: Bestaat er een raarder leven dan het mijne? – Jef Last 1898-1972. Prometheus; 565 pagina’s; € 34,99.

Meer over