BoekenVroeger schreef ik. Gevonden verhalen

De bibliotheek, een verhaal van Maarten Biesheuvel

Een verhaal van Maarten Biesheuvel uit de deze maand te verschijnen bundel Vroeger schreef ik. Gevonden verhalen.

null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen

Ik moest – ik was achtenveertig en gezond van geest en lichaam – in een geweldig grote bibliotheek zijn want ik zag in de schappen langs de wanden van de magazijnen miljoenen boeken. Ik pakte een willekeurig boek. Het was van H.P. Anderson en het heette Lust and Passion. Ik had er nooit van gehoord. Ik liep kilometers door de magazijnen en verbaasde me over het grote aantal boeken. Wat had dat allemaal voor zin? De schrijvers waren gestorven, de lezers zouden sterven, de aarde zou afkoelen en de nog overgebleven lezers zouden dood ter aarde storten. En dan zouden al die doden, deze hele bibliotheek, de hele aarde nog miljoenen jaren doelloos om de zon draaien. Een mens is slecht en ik dacht: Het zal mij benieuwen of ze hier ook boeken van Biesheuvel hebben. Na een halfjaar zwerven kwam ik bij de catalogi. Ik vond van mezelf wel dertig titels en ik bedacht dat ik pas aan mijn twaalfde boek bezig was. Ik zag titels van mezelf: In het hout, De wenende engel, Wat hinkt, dat komt vooruit, veel meer titels! Maar de meeste ben ik nu kwijt.

Ik liet een paar boeken komen. Er stond duidelijk mijn naam boven, maar ik wist niet dat ik de boeken al geschreven had. Dagenlang heb ik geamuseerd en ontroerd in mijn eigen boeken zitten lezen. Die boeken werden steeds somberder. Hoe kan dat? dacht ik. Ik lees het allemaal, maar ik heb het nog niet geschreven of ben ik al dood? Na vier weken had ik al mijn boeken uit. De boeken die ik in de werkelijkheid had geschreven liet ik ongelezen, ik las alleen het mij onbekende werk, hoewel er toch steeds J.M.A. Biesheuvel op het omslag vermeld stond. Ik kneep in mijn armen en voelde pijn. Wat was dat voor zinsbegoocheling? Wat hinkt, dat komt vooruit. Een roman van achthonderd bladzijden! Nooit geschreven! Ik begreep het niet. Maar wat ik las, was onmiskenbaar mijn stijl.

Ik ging weer naar de catalogi en vond toen uit dat ik in wel zeventien talen vertaald was. Honderdduizenden boeken deden van mij de ronde. Van Senegal tot Groenland, van Japan tot Honduras, van Duitsland tot Arizona. Ik vond een biografie van mezelf. Het boek ging over mijn levensloop. Het vermeldde dat ik tachtig jaar geworden was, maar dat ik op mijn tweeënvijftigste voorgoed krankzinnig was geworden. Ik was tot mijn dood toe niet meer beter geworden. Men vermeldde hoe ik met mijn kop tegen de muren ramde. Ik kreeg af en toe een hersenschudding van dat rammen, maar gespleten heb ik mijn schedel nooit. Ik schijn mijn eigen uitwerpselen gegeten te hebben, mijn eigen pis gedronken. Ik was de droevigste gek ter wereld. Hölderin en Schumann zijn niet ellendiger aan hun einde gekomen. Achtentwintig jaar krankzinnig, dacht ik, ik moest achtentwintig jaar ziek en malende zijn, mezelf kwellen en tot het uiterste gaan voor ik de dood vind. Ik las weer een boek en vond het prachtig. Het was het laatste boek dat ik voor mijn krankzinnigheid had geschreven. Het heette Schepen in de tyfoon. Was ik al bezig gek te worden? Ik zat in een stille leeszaal en dacht: Eigen stront vreten, haast je schedel splijten van wanhoop, dat is toch te erg.

Toen begon ik te roepen, heel hard te roepen: ‘Lieve Heer in de hemel, ach mensen hier aanwezig, hoe oud ben ik eigenlijk? Ben ik al krankzinnig, kunnen jullie mij bewijzen dat ik besta?’ Iemand – dat was ik – schrok wakker. Ik lag in mijn eigen bed en dacht: over een paar dagen komt mijn boek uit.

Het heet De angstkunstenaar en het is mijn twaalfde boek. God geve dat ik niet achtentwintig jaar zwaar krankzinnig ben voor ik sterf. Ik had liggen gillen en Eva kwam mijn kamer op.

‘Wat heb je toch?’, vroeg ze.

‘Het was maar een droom, Eva’, snikte ik, ‘maar toch ik ben zo bang.’

‘Vertel me dan die droom’, zei ze.

Ik durfde het niet. Je hoort immers wel spreken van dromen die uitkomen.

‘De bibliotheek’ van J.M.A. Biesheuvel werd door Biesheuvels vriend en uitgever Aart Hoekman aangetroffen in de nalatenschap van de schrijver die in de zomer van vorig jaar overleed. Het verhaal werd in september 1989 gepubliceerd in OY-OY, een maandelijkse culturele agenda voor Leiden. ‘De bibliotheek’ werd nooit meer gebundeld, maar wordt met ander door Hoekman nieuw ontdekt werk opgenomen in de verhalenbundel Vroeger schreef ik. Gevonden verhalen, die deze maand verschijnt bij Uitgeverij Brooklyn.

‘Ik lieg me te barsten, maar ik spreek de waarheid.’ De verbeelding van Maarten Biesheuvel
Onno Blom kijkt uit naar de bundel met nieuw gevonden verhalen van Maarten Biesheuvel, wiens fantasie hem in staat stelde een paradijselijke tegenwereld te scheppen om zijn angsten te bezweren.

Meer over