De beste dichter die ik ken neemt me op afstand mee naar zijn werkkamer en zijn dagelijkse besognes

Nu iedereen wel een goed ­humeur kan ­gebruiken, grijpt verslaggever John Schoorl graag naar gedichten van Billy Collins. Ook Kees van Kooten is liefhebber. Hij bundelde zijn vertalingen in een boek dat gelukkig nog steeds ­verkrijgbaar is.

John Schoorl
null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

De eerste zin die dit verhaal verdient, moet beginnen in Florida, met een uitgestreken grijnzende Billy Collins, de dichter die iedereen verdient, zittend in zijn werkkamer. Er hangen schilderijen van honden aan de muur, en zijn zicht op de buitenwereld wordt belemmerd door een stapel poëziebundels.

Kijk, stelt Collins (81), er loopt buiten een joggende man voorbij, met oordoppen in en een baseballpetje op. Verderop in de straat staan enorme eikenbomen, waar een soort mos aan hangt dat hem doet denken aan ‘de baarden van ZZ Top’.

Als een buurtgenoot met hond passeert, haalt hij een Japans gedicht aan: ‘De hond uitlaten/je ontmoet/veel honden’. Daarna zet hij een nummer op van jazzsaxofonist Jackie McLean, Our Love is Here to Stay, en laat hij schertsend weten zich ‘enorm vereerd’ te voelen om in het Volkskrant Magazine te verschijnen, toch een krant met ‘geweldig nieuws’.

Ik zit in de werkkamer niet naast Billy Collins, de beste dichter die ik ken, al had ik dat graag gewild. Voor zo’n Amerikaanse grootheid is hij makkelijk benaderbaar, net als zijn gedichten verkeert hij – in mentale staat – gelijkvloers. Maar willekeurig een of andere vogel ontvangen van de andere kant van de oceaan, in zijn werkkamer nota bene, dat was ook weer zo wat. Billy e-mailde dat ik toch moet weten dat de meeste schrijvers en dichters ‘in het echt enorm tegenvallen, hij voorop’ en ik dus beter mezelf het geld en de moeite kon besparen.

Wat hij wel wilde doen, aangezien hij toch degene is die het meeste weet over Billy Collins, is een paar vragen over Billy Collins per e-mail beantwoorden, of ‘antwoorden te verzinnen waardoor hij interessanter lijkt’. Het werden duizend door Collins getypte woorden die zomaar in mijn mailbox belandden, niets anders dan onstuimig piekende cryptovaluta voor een Collins-fan. In die duizend woorden neemt hij me mee naar zijn werkkamer, naar zijn uitzicht en zijn dagelijkse besognes en vergezichten en legt hij uit dat je maar twee soorten poëzie hebt: goede of slecht geschreven. Bij slecht geschreven gedichten moet je kappen met lezen – zo simpel is het, meent de man die door The New York Times tot populairste dichter van Amerika werd uitgeroepen.

Zo wordt u gelukkig

Oké, waarde lezer van dit stuk, u bent nu terechtgekomen in een verhaal over poëzie, over de beste dichter die iedereen verdient, in het hier en ongemakkelijke nu. Niet schrikken! Whaaah! Van het lezen van gedichten van Billy Collins knap je namelijk op, kijk je anders naar de werkelijkheid, alsof er een extra lichtje in je hoofd gaat schijnen. Dat weet ik al een tijdje, namelijk sinds het verschijnen van Zo wordt u gelukkig, in 2010. Dat is een zelfhulpboek dat geen zelfhulpboek is, maar een door Kees van Kooten opgericht monument voor Billy Collins en zijn goede humeur. Hij vertaalde 26 gedichten en schreef ze aan elkaar, met al even verkwikkende ingevingen en tonische analyses.

Zo wordt u gelukkig is het boek dat ik zo goed als altijd lees, omdat een goed humeur niet verveelt, zeker als de toestand in de wereld is omsingeld met leedwezen. En als ik dit niet lees, lees ik Billy Collins zelf, één van zijn bundels. Eentje trof ik in al mijn blijmoedigheid op 8 april 2016 aan in boekhandel Bookmarc in Bleecker Street in New York – zo’n datum en plek vergeet je nooit meer. Daarna ging ik samen met deze bundel, Nine Horses, een bordje inktspaghetti eten, iets verderop in Trattoria Pesce Pasta. Tegelijkertijd te gulzig eten en te gulzig Collins lezen liet een inktvlek op de bundel achter.

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

Zelf eet Billy Collins ook weleens alleen met een boek. Hij schreef er zelfs een weergaloos gedicht over, Old Man Eating Alone in a Chinese Restaurant. Over het treurige spektakel van een oude man die alleen in een Chinees restaurant eet, met slechts een boek als gezelschap. Totdat halverwege het gedicht duidelijk is dat hij zelf die man is geworden, met een roman van de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago voor zijn neus, en het ontaardt in een ode van een oude man aan het Chinese restaurant, met het prachtige licht op zijn favoriete tafeltje, heerlijk koud Chinees bier en de altijd lachende serveerster.

Op het snijvlak van coronapandemie en het oorlogsgekletter in Oekraïne, viel mijn oog op een zin die ik al tien jaar geleden had onderstreept, maar zich nu als een baken van licht deed gelden. ‘En wie leest er nu om zich ongelukkig te voelen?’, schrijft Van Kooten in zijn intro. Goeie vraag, sowieso. Hij predikt niet om zich af te wenden van de werkelijkheid, de kop in het zand te steken, en het nieuws en de krant te negeren, maar om je toevlucht te zoeken bij ‘de verlichtende zinnen’ van Collins. ‘Laten wij ons liever spiegelen aan het vrolijke denken van Collins en een voorbeeld nemen aan de manier waarop hij met simpele poëtische ingrepen fantasie van de werkelijkheid maakt en leven van de dood.’

Ik ben de catcher achter de thuisplaat van de wereld

De wetenschapper die een lekje in de werkelijkheid onderzoekt

Kees van Kooten

‘Waarom lezen mensen iets om zich ongelukkig te voelen?’, zegt Van Kooten, zijn eigen vraag uit het boek herhalend. ‘Ja, waarom? Fatalistisch denken viert natuurlijk hoogtij. Het wordt niks meer, de apocalyps, ziekten, oorlog enzovoorts. Er is een grote groep masochisten die dat bevestigd wil zien, met stukken in de krant, in muziek en ook in gedichten. Zo van: ik heb het allemaal wel gezegd. Het is een vorm van gelijkhebberij. Maar er is ook veel liefde en optimisme en kunst en muziek, kijk maar naar het televisieprogramma Podium Witteman, om maar eens een bocht te nemen. De grote Russische schrijvers, die moeten maar wachten, daar word je niet gelukkig van.’

Kees van Kooten staat voor zijn ‘Collins-hoekje’ in zijn boekenkast, nabij andere favoriete Amerikaanse schrijvers, zoals A.J. Liebling, Garrison Keillor en Ring Lardner. Met zijn vinger gaat hij, gezeten voor het computerscherm, langs de bundels van de Amerikaan. Nee, de dichter heeft hij nooit gesproken. Hij heeft ook nooit de aandrang gehad om contact te leggen, hij noemt zich daar te bescheten voor. ‘En wat moet die man met mij?’ Over de achtergronden van zijn werken hoeft hij ook geen verdere duiding, er wordt niet per se moeilijk gedaan in het werk van Collins.

‘Alles wat hij maakt is glashelder en duidelijk. Er zit niets raadselachtigs aan. Zijn poëzie heeft een makkelijke ingang, de deur zit gewoon aan de voorkant, je hoeft niet eerst een ingewikkelde trap op. Kom maar, zegt hij. Dan is hij binnen, en ziet hij iets, en dat hebben we allemaal in huis, maar dat hebben we nog nooit zo gezien. Zouden het pepervaatje en zoutvaatje nou in die jaren gek op elkaar zijn geworden? Dat is er ook eentje van hem. Hij neemt zichzelf niet serieus, hij zet zichzelf tussen aanhalingstekens.’

Over Van Kooten zelf moet je op trompetterende wijze zeggen dat hij een monumentale staat van dienst heeft, en met Wim de Bie het allerbeste duo uit de televisiegeschiedenis vormde. Maar werken aan Zo wordt u gelukkig noemt hij ‘een van de fijnste dingen die ik ooit heb mogen doen’. ‘Ik heb nog nooit zo lyrisch geschreven over iets. Ja, over mijn kinderen en kleinkinderen, natuurlijk, maar dat is een andere lyriek’, zegt hij. ‘Nooit eerder heb ik iemand zo gefileerd, en mijn bewondering uitgesproken. Toen ik er eenmaal aan begonnen was, kon ik niet meer stoppen; ‘Potverdorie, weer een andere kant van Billy, en wat ben ik het daarmee eens’. Bij ons huisje in Frankrijk hakte ik altijd hout, gewoon. Maar toen ik in een gedicht las hoe hij beschreef hoe een stronk als een tweeling uit elkaar viel door zijn bijl, kon ik nooit meer gewoon hakken. En zo gaat het steeds: met eten, slapen, het leven, kijken naar de wolken. Steeds kom ik hem tegen.’

Schriftje

Als hij aan Collins denkt, denkt hij aan ‘de overdondering van de eenvoudig lijkende conclusie of waarneming’. Hij ziet het ook in de meest geciteerde dichtregel van K. Schippers: Als je goed om je heen kijkt/Zie je dat alles gekleurd is. Of in werk van Judith Herzberg, en haar dichtregel: Wijzelf en onze planten zijn het enige/toevallige in dit huis. ‘Dat zijn versimpelingen waar ik erg van hou, iets wat je kunt beamen. Zo van: stom dat ik daar zelf niet op gekomen ben.’

De eerste keer dat hij overweldigd werd door Collins moet zijn geweest in The New Yorker, het fameuze Amerikaanse periodiek, ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw. Hij knipte het gedicht uit en plakte het in een mooi schriftje dat hij in Frankrijk kocht, en probeerde het te vertalen. Zo knipte en plakte hij een schriftje vol, in de loop der tijd, totdat er een boek van kwam.

‘Mag ik er eentje voorlezen?’

En dan is daar Kees van Kooten die voor zijn Collins-hoekje The Revenant voorleest – je wenst dit iedereen toe – door hem vertaald als Geestverschijning.

Ik ben de hond die jij liet inslapen

zoals jullie de naald van de vergetelheid graag noemen

En ik kom terug om alleen nog dit te zeggen:

ik heb nooit van je gehouden – voor geen haartje.

‘Meesterlijk’, roept Van Kooten uit, na het eerste couplet, waarna er nog negen volgen, bespiegelingen van een wrokkige hond, post-mortem.

‘Het is alsof hij wil zeggen: mensen, er mag gelachen worden met poëzie, het is niet eng. Hij heeft de poëzie die zo ver weg is afgedreven, terug aan de mensen gegeven. Toen hij dichter des vaderlands werd, zei hij: we moeten de schooldag beginnen met een gedicht. Daar hoeven ze geen werkstuk over te maken, of te analyseren. Zo krijgen we de kinderen terug naar de poëzie. De onderwijsmethoden van nu hebben ervoor gezorgd dat kinderen een weerzin tegen poëzie hebben gekregen. Zo begon hij Poetry 180, een programma voor scholen, met bijpassend gedichtenboek. Dat enthousiasme van Collins was voor velen een begin.’

Ouwehoersessie

Het is nog vroeg in Florida, en Billy Collins weet nu al dat hij rond het middaguur gaat golfen op een mooie 9-holesbaan in de buurt van zijn huis in Winter Park, een rustig voorstadje van Orlando. ‘Ja raar hè’, schrijft hij, ‘dat golf net zo exclusief is als poëzie.’

Aan het einde van de middag verschijnt Collins in zijn Poetry Broadcast op Facebook, een half uur durende ouwehoersessie over poëzie door Collins. Dat doet hij sinds de coronadagen twee keer per week, op aandringen van zijn tweede vrouw Suzannah. Inmiddels heeft hij 40 duizend vaste kijkers in 35 landen.

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

Het begint telkens met een shot van zijn rommelige werkkamer, en jazzmuziek, zoals deze keer van saxofonist Hank Mobley, van het album Soul Station. Dan verschijnt Collins met een zonnebril op, een bodempje Ierse whiskey in zijn hand, en roept Suzannah van buiten beeld wat hij moet doen. Alles wat hij doet sluit hij af met een snaakse blik, voortkomend uit grote ogen in een eivormig kaal hoofd.

Doorgaans wijkt hij niet voor het grote nieuws, het gaat toch om de dichterlijke verbeelding, zegt hij op lijzige toon. Maar deze keer meent hij toch niet om de oorlog in Oekraïne heen te kunnen – ‘de droevigheid ten top’, zegt hij, en leest een anti-oorlogsgedicht voor van de Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky, Bosnia Tune.

Atypisch

Billy Collins is niets minder dan een wonderlijke, buitengewoon atypische verschijning in de Amerikaanse literaire wereld. Niet alleen met zijn tedere, grappige of diepgaande observaties over alledaagse zaken als honden, jazz, een goeie maaltijd, een wandeling, of cafés na sluitingstijd. Maar ook gezien zijn sterrenstatus als optredend en publicerend dichter, door The New York Times ‘het literaire equivalent van Beatlemania’ genoemd.

Zo heeft het er heel lang niet naar uitgezien. Pas op zijn 40ste debuteerde hij, en zoals bij veel dichters wilde het niet vlotten met de verkoop van bundels. Zo nu en dan plaatste een blad zijn poëzie, en al even vaak werd hij hardhandig de deur gewezen. Dat veranderde in 1999, toen hij gedichten mocht voordragen in zeer populaire radioprogramma’s, en zijn gave als voorlezer de interesse voor zijn bundels deed aanwakkeren.

Zijn trouwe pokervriend Chris Calhoun, nog steeds zijn literair agent, wist aan tafel te komen bij een grote uitgeverij, Random House, en sloot een vette boekendeal af voor Collins. Dit leidde tot ongenoegen van zijn oude uitgever die hem aan zijn contract wilde houden, en in de publiciteit werd ‘dit gevecht om een dichter’ breed uitgemeten. De controverse was goed voor Collins, want de interesse voor zijn werk nam toe. De mythe van de literaire outsider die zomaar doorbrak, werd aangezwengeld door de marketingmachine van zijn nieuwe uitgeverij.

Tot ieders verrassing werd hij in 2001 ook nog benoemd tot dichter des vaderlands, iets wat hij twee termijnen zou volhouden. Daarna werd hij stadsdichter van New York. In 2002 las hij, bij de herdenking van de slachtoffers van 9/11 in het Congres, zijn gedicht The Names voor. Inmiddels staat er een lange lijst prijzen achter zijn naam, droeg hij meerdere malen in het Witte Huis voor en trad hij op met zangers Paul Simon en Paul McCartney en acteur Bill Murray. Vroeger wilde niemand met me dansen, zei hij over zijn beroemdheid, en nu is zijn balboekje altijd vol.

Geestdrift

Kees van Kooten zegt dat hij lijdt aan ‘opdringerige geestdrift’; niet alleen moet iedereen Billy Collins lezen, hij heeft de ‘dwangmatige gewoonte’ om alles wat hij schaart onder schoonheid, humor en ontroering onmiddellijk te willen delen. ‘Als je hier was, dan had je niet eens tijd gehad om vragen te stellen. Dat had ik je eerst tien platen laten horen. Dan trek ik boeken uit de kast, ga ik stukken voorlezen. Die ene alinea van Lodewijk van Deyssel. Dat ene gedicht uit een bloemlezing van Gerrit Komrij.’

Laatst had hij het weer, zag hij vanuit zijn kamer op een tak twee duiven. ‘Die zaten echt te vrijen, met de koppies tegen elkaar. Dus ik loop naar binnen, naar mijn vrouw Barbara. Barbara! Moet je eens kijken. Wat nou weer, zegt ze dan terecht. Twee duiven, zeg ik. Fantastisch! Het wordt lente. Dan kijkt ze naar buiten, en zijn die twee duiven weg. Dan denk ik: doe toch eens normaal man. Laat iedereen nou genieten van wat hij zelf tegenkomt.’

‘Barbara zegt het ook, als mensen op bezoek komen: ‘Je houdt je mond hè. Niet naar de boeken- of platenkast. Niet die oude New Yorkers uit de kast trekken, of een oude L’Assiette au Beurre laten zien.’ Dat beloof ik dan, maar ja, na een fles wijn vergeet ik het weer: ‘Kijk eens! Kijk eens, hier is die plaat van Bill Evans. Hoor je dat lachen? Daar heeft Billy Collins nog een gedicht over gemaakt. Zal ik die er even bij pakken?’ Dat dus, dat koortsachtige.’

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

Als het om Billy Collins gaat, heeft de geestdrift van Van Kooten er nog niet toe geleid dat de dichter hemelsbreed wordt bewonderd, in Nederland. Van Zo wordt u gelukkig zijn er zo’n vijduizend exemplaren verkocht door uitgeverij De Harmonie, waar doorgaans de boeken van Koot & Bie en hun
Bescheurkalenders bestsellers waren. Maar het kan nog komen, zegt Van Kooten. ‘We hebben het er nu weer over gehad. Hij is toch een tegenwicht, in deze tijd, altijd op zoek naar schoonheid. Er is geen maatschappelijk engagement, of persoonlijk gedoe. Hij houdt zich vast aan tijdloze dingen als de maan, aan de zon, aan de vijver voor de deur met de duiven en de eenden. Hij ziet zoveel poëzie in het doodgewone – omdat hij toch al weet dat hij niets aan de werkelijkheid kan veranderen. ’

Ja, hier heerst de geschifte schoonheid

die ontluikt na middernacht

en geen zin heeft om naar huis te gaan

vooral niet nu iedereen is betoverd

door de grote man met de tenorsax

die als een gouden vis aan zijn hals hangt

Poëzie is overal

Billy Collins luistert overdag het liefst naar de zachtheid van tenoristen als Coleman Hawkins en Ben Webster. Hij heeft net zijn huis aan de buitenkant geïnspecteerd, omdat hij weleens wil weten hoe de muizen zich naar binnen dringen. In de ochtend is hij in de ban geweest van een kleine observatie, doorgaans het begin, in zijn geval, van een gedicht. Zijn visie: poëzie is overal, het moet alleen nog worden bewerkt.

‘Ik gebruik humor en ironie om de twee gevaren, ernst en sentimentaliteit, te vermijden’, schrijft hij. ‘Ik heb de neiging om mijn gedichten in één keer te schrijven. Maar ik ben gisteren wel aan een gedicht begonnen, waar ik vanmorgen een beetje aan heb gewerkt, en waar ik later op terug zal komen. Het komt niet makkelijk, misschien nemen mijn krachten af. Wellicht komt het omdat ik probeer te beschrijven hoe het zal zijn om dood te zijn. De titel is Gezicht vanuit een mausoleum. Ik kan alleen maar zeggen dat de dingen er dood heel anders uitzien. Je hoort niets, en zoals iemand het uitdrukte: je ziet je vrienden niet vaak.’

Het gedicht dat hij daaraan voorafgaand schreef, gaat over de vele dingen die je kunt doen in de twee uur die een sneeuwvlok nodig heeft om uit een wolk op de aarde te vallen. Ook heeft hij nog nagedacht over het verschil tussen ‘handmodellen’ en ‘gewone fotomodellen’. Tevreden zegt Collins nooit te zijn. ‘Ik zou stoppen met schrijven als ik dat was’, mailt hij. ‘Een gedicht afmaken is als na een eerste afspraakje denken dat dat best goed is verlopen. Maar terwijl je naar huis loopt, bedenk je hoe het nog véél beter had kunnen gaan. Een gedicht is vaak een schrijnend voorbeeld van imperfectie. Eerst is er het zoete gevoel van voltooiing wanneer het gedicht klaar is, daarna is er het bittere besef dat het gebrekkig is. Bittersweet. Een leven vol bitterzoetheid.’