De benepenheid van een Bretons stadje

DE NAAM Louis Guilloux zal weinig Nederlandse lezers iets zeggen. Hooguit de generatie die op school nog Franse literatuur heeft gehad, en misschien een Prisma-compendiumpje Franse letterkunde (van prof....

Willem Kuipers

Le sang noir verscheen in 1935. Bijna 65 jaar later is het boek (met als titel Het zwarte bloed) voor het eerst ook in het Nederlands te lezen, terwijl Denen, Servo-Kroaten, Italianen, Hongaren, Polen, Duitsers, Engelsen en Amerikanen het boek vrijwel meteen in hun eigen taal tot zich konden nemen. Zo groot was de belangstelling indertijd. Die was er in Nederland ook wel, en er was zelfs een vertaler-van-naam voorhanden, maar door allerlei omstandigheden kwam er niets terecht van een Nederlandse versie.

De man die het boek onmiddellijk had willen vertalen, was Eddy du Perron. Hij en Guilloux hadden elkaar in 1933 in Parijs leren kennen, en zoals dat bij Du Perron wel vaker ging: hij was bijna onmiddellijk in vriendschap voor de Bretonse auteur ontvlamd. Het was een vriendschap die literair gezien in elk geval van belang is geweest voor het ontstaan van Het land van herkomst, want dank zij Guilloux verwierf de Nederlander een optrekje in Le Roselier-en-Plérin niet ver van Saint-Brieuc aan de Bretonse kust, waar hij - na alle problemen die hij in Parijs had gehad - eindelijk rustig kon werken.

Hij had er ook weer tijd om vrienden in Nederland te berichten over de Franse letteren. Aan Jan Greshoff schreef hij over Guilloux. Hij wees op diens roman Dossier confidentiel uit 1930: 'Een van de allerbeste Fransche boeken die ik in jaren gelezen heb.' En over Le sang noir merkte hij op: 'Het boek van Guilloux is uitstekend: ik lees het nu in proef. Ik zal zien een ex. voor je te bemachtigen.' Hij besprak het in De Groene van 22 februari 1936: 'Dit boek is uitstekend, een boek dat met grote stappen uit de jaarlijkse produktie stapt van de franse literatuur. Het heeft zijn haat, het is zelfs boordevol haat tegen rechts, maar deze haat is groot, menselijk, sterker, eenvoudiger dan partijhaat, en door een talent gedragen dat Guilloux stempelt tot groot auteur. Cripure is, zonder overdrijving gezegd, een der grootste kreaties van de hedendaagse literatuur.'

Over die Cripure komen we nog te spreken, maar deze zinnen van Du Perron laten er geen twijfel over bestaan dat hij heel gemotiveerd was om Le sang noir te vertalen. De Wereldbibliotheek toonde belangstelling, maar wilde het werk een ander in handen geven, wat Du Perron zeer mishaagde. Vanaf dat moment ging alles mis. De vriendschap met Guilloux bekoelde en Het land van herkomst kreeg bij verschijnen te weinig aandacht in de ogen van de auteur. Die vertrok in 1936 naar Nederlands-Indië. In 1940 keerde hij naar Nederland terug, waar hij, een dag voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog aan angina pectoris stierf. 'Het is onduidelijk', schrijft de vertaalster Mirjam de Veth in haar voortreffelijke nawoord, 'waarom de Nederlandse uitgave niet is doorgegaan.'

Vijfenzestig jaar later kun je met een gerust hart van een wat trage inhaalmanoeuvre spreken, waardoor Het zwarte bloed nog juist een plaats kan krijgen op de lijst van duizend mooiste (vertaalde) boeken in de twintigste eeuw.

Dat de Nederlandse editie dit jaar verschijnt, zou verklaard kunnen worden uit de omstandigheid dat men in Frankrijk Louis Guilloux (geboren in 1899) op ruime schaal herdenkt. Maar dat is slechts ten dele het geval. Dat het boek er is, is uitsluitend te danken aan de eigenzinnige uitgever G. Coppens, die zijn fonds niet met eendagsvliegen en snelle prijswinnaars wenst te vullen, maar met het soort kwaliteit, waarnaar lezers - over de grenzen van tijd en ruimte heen - steeds op zoek zijn.

Van het begin af aan had Le sang noir de reputatie van een meesterwerk en daar is ook na meer dan een halve eeuw nog wel iets voor te zeggen, want Guilloux is een ongeëvenaard knap verteller. Wie deze vertaling ter hand neemt, zal meteen getroffen worden door de manier waarop de schrijver zijn scènes vormgeeft. Alsof het filmbeelden zijn. Nu is het tegenwoordig een van de meest versleten clichés geworden om te zeggen dat iets 'filmisch' geschreven is. Maar in de tijd dat Guilloux zijn belangrijkste boeken schreef, de jaren dertig vooral, toen de film de kijkers nog vooral een wonder toescheen, was dat niet zo. Integendeel, wie zo kon schrijven, kón schrijven.

Zeer beeldend dus begint Het zwarte bloed. In kort bestek krijgt de lezer een indruk van de hoofdpersoon Cripure - een reusachtige, ongemakkelijk zich bewegende man, leraar filosofie op een middelbare school, en mikpunt van spot voor zijn leerlingen - die in zijn slordige huisje gemelijk zijn meid Maia op de divan neemt. Met dit tweetal is de antiburgerlijke toon van het verhaal gezet en ontvouwt zich geleidelijk het sociale panaroma van een Bretons stadje (te zien als Guilloux' geboortestadje Saint-Brieuc), waar benepenheid en schijnheiligheid hoogtij vieren. Inderdaad, regelmatig doemt de schim van Madame Bovary op, de vrouw die door Flaubert het (aantrekkelijke) slachtoffer-bij-uitstek van La France profonde is geworden. Maar sterker nog dringt zich een andere vergelijking op, met Voyage au bout de la nuit van Louis Ferdinand Céline.

Die laatste liaison heeft met de Eerste Wereldoorlog te maken, een belangrijk thema in Het zwarte bloed. Overal in het kleine stadje met zijn twintigduizend inwoners en twáálf kerken laat het monster van de Grande Guerre zijn bloedige sporen achter en door Guilloux wordt de neerslag van de oorlogsellende in het leven van alledag zodanig vergroot, dat je meer dan door welk geschiedenisboek ook begrijpt hoe gruwelijk individuen, jonge mensen, vaders en moeders door de ramp van deze oorlog werden geslagen. Op dit punt toont Guilloux nog het meest zijn 'engagement', een begrip dat hij als schrijver afwees, maar als links-georiënteerde burger ten volle accepteerde. Schrijvers, vond hij niet ten onrechte, moesten kunstwerken maken en geen politiek bedrijven met hun boeken. Het is duidelijk hoezeer hier de stem van Gustave Flaubert doorheen klinkt. Dit esthetische standpunt laat onverlet dat Guilloux' schildering van het oorlogsleed ook vandaag de dag nog ongemeen indringend is, misschien doordat hij er de hypocrisie van de burgerij - die de oorlog vaak tegen beter weten in bleef verdedigen - zo scherp tegenoverstelt.

Toch is die navrante historische 'waarheid' niet de eerste reden waarom je dit boek nog met zoveel belangstelling leest. De kracht ervan zit in iets anders: in de gedetailleerde verbeelding van een kleinestadsgemeenschap - met alle drama dat zich daarin samenbalt -, die maar ten dele geschiedenis lijkt te zijn geworden, of anders gezegd: verouderd. Vanzelf komt dat doordat Guilloux zo helder en sfeervol schrijft. Maar belangrijker is dat hij door zijn personages ruimte weet te scheppen binnen de beperking van tijd (een etmaal) en ruimte (alles speelt zich in dat stadje af), waardoor hij de paradox van Goethe een levendige, nieuwe vorm geeft. De hoofdfiguur, de drager eigenlijk van de hele vertelling, de leraar filosofie Cripure, toont dat aan. Hij is de idealist, de non-conformist, de denker, die heel wat ideeën het verhaal binnensleept, waarvoor normaal gesproken in dat stadje geen ruimte zou zijn. Tegenover hem staat de burgerman Nabucet, die eerlijk gezegd in z'n weerzinwekkende opportunisme scherper getekend is dan die Cripure en hem dan ook regelmatig dreigt te overvleugelen (het komt tussen beiden zelfs tot een tamelijk dwaze ruzie die in een echt duel zou zijn geëindigd, als Cripure niet een einde aan zijn leven had gemaakt, opmaat tot de ontroerende slotscènes).

Die afhankelijkheid van het personage is na zoveel jaar overigens wel een beetje de zwakte van Het zwarte bloed. Du Perron kon Cripure nog 'een der grootste kreaties van de hedendaagse literatuur' noemen, maar voor ons wil hij maar geen Don Quichot, schelm, meneer Teste, of wie dan ook worden, van wie we alle wanhoop voor zoete koek slikken. Die Cripure is gewoon een beetje een idioot, en zo iemand overtuigt niet onmiddellijk. Bij een boek met de opzet van Het zwarte bloed weegt dat zwaar. Misschien is de verklaring voor het minder gelukt zijn van deze Cripure te vinden in het nawoord van de vertaalster, die ons leert dat Guilloux in Cripure een door hem geliefde, lokale filosoof Georges Palante (1862-1925) heeft willen vereeuwigen. Alsof Cripure niet voldoende fictie is geworden. Alsof hij te veel Palante is gebleven.

Een ander bezwaar tegen Het zwarte bloed is de lengte, niet omdat een boek geen zeshonderd pagina's mag tellen (graag zelfs!), maar omdat Guilloux, een tamelijk strak regisseur toch, soms zo uitweidt dat je het gevoel hebt dat hij geen einde aan bepaalde ontwikkelingen kan breien. Dat past bij de schrijfwijze die Guilloux voorstond - het verhaal ontstaat tijdens het schrijven en wordt niet van tevoren bedacht -, maar dan ligt uiteraard het risico op de loer dat de boel soms wat scheef trekt. Dat is gebeurd. Het maakt het moeilijk om nog van een meesterwerk te spreken. Niettemin is Het zwarte bloed om allerlei redenen - van stilistische en historische aard - een buitengewoon interessant boek, waarvan het misschien alleen commercieel gezien jammer is dat het zo laat in het Nederlands verschijnt. Échte lezers zullen het niet versmaden.

Meer over