De bedrieglijke spiegels van Delvaux Een eerbetoon aan de schilder van de stilte

Unheimisch, griezelig, onheilspellend. In de bewegingsloze taferelen van de Belgische schilder Paul Delvaux hangt een betovering die personages tot figuranten maken....

PAUL DEPONDT

Dit jaar zou hij honderd zijn geworden. In de zomer van 1994 overleed op 96-jarige leeftijd de Belgische schilder Paul Delvaux, de grootmeester van de betovering. Vanaf de jaren dertig schilderde hij een magische wereld, tevoorschijn getoverde herinneringen, taferelen met naakten in door maanlicht beschenen stations en sprookjestuinen.

Brussel eert Delvaux met een groot retrospectief. De Brusselse Koninklijke Musea voor Schone Kunsten brachten 120 schilderen en 130 werken op papier bijeen, ruim een derde van zijn oeuvre. 'Er wordt veel over Paul Delvaux geschreven', zegt Koen Vergeer - auteur van het pas verschenen Dossier Delvaux, 'maar er wordt nog altijd meer verzwegen; hoog tijd dat de waarheid aan het licht komt.'

Het is stil op de doeken van Delvaux. Nergens gaat iemand uit de bol. Er gebeurt nooit wat op zijn schilderijen. De figuren kijken verweesd in de spiegel. Ze zien niet hun spiegelbeeld maar een ander. De bedrieglijke spiegel toont een dubbelganger die het origineel echter niet getrouw weerspiegelt. Spiegels verdubbelen, idealiseren en verdonkeremanen, onthullen en verbergen tegelijk.

Unheimisch, het slaat op veel van wat hij maakte: griezelig en onheilspellend. Dwangmatig schilderde Delvaux steeds dezelfde taferelen. De onderwerpen keren voortdurend terug. Ze trekken 'in processie' van het ene doek naar het andere, van het Portrait de famille (1925) tot de serie Ecce Homo (1957), de gekruisigde skeletten. De betekenis is nooit duidelijk. 'Het is gewoon om naar te kijken', grapte Delvaux. Anders dan zijn beroemde landgenoot René Magritte, de schilder van ideeën, was hij een schilder van poëtische gevoelens. Poëzie, dát is zijn toverwoord.

Veel van zijn werk herinnert aan Giorgio de Chirico's fatale pleinen, aan die stille en hersenschimmige wereld. In zijn ogen was De Chirico 'de dichter van de leegte'. Delvaux' oeuvre is een onwezenlijke wereld met ruïnes, stations, skeletten van staal en glas, desolate en onbestemde oorden, die van een bijzonder en uitgesproken somber licht zijn doortrokken - een soort 'vloeibaar radium'. Hij schilderde bewegingsloze taferelen met roerloze naakten, soms navrante en tijdloze droombeelden van gehypnotiseerde vrouwen en skeletten.

Op Delvaux' schilderijen staan geen personages maar figuranten: verstarde en onverschillige maagden, met een ovaal gezicht met wijd opengesperde en amandelvormige ogen zonder pupil, en mannen met een bolhoed die eruit zien als een deurwaarder of een notaris. Le musée Spitzner is een uitzondering. Hij schilderde, zoals in de Renaissance, enkele herkenbare vrienden rechtsonder op het doek.

Zijn het dromen? De doeken staan los van categorieën als droom, fantasie of herinnering, meent Vergeer, los van alle vragen en vermoedens daarover. 'Men moest hem niet willen vastleggen. Zijn werk vormde een wereld op zich, wanneer zouden ze dat nu eens inzien en erkennen?'

En toch zijn, zonder veel uitdrukkelijke verwijzingen, haast alle schilderijen autobiografisch. 'Genialiteit ligt in het naar believen terugvinden van de kinderjaren', zegt de dichter Charles Baudelaire. De scènes op de doeken herinneren aan Delvaux' jeugd, aan de charmes van zijn vrolijke tantes, aan de ijzige terreur van zijn moeder, aan de miskenning, aan de lievelingsauteur uit zijn jeugd Jules Verne, aan de verboden liefde en aan het cabinet de curiosité van dokter Spitzner op de Brusselse kermis.

'Er was kermis op het Zuid', schrijft Vergeer in zijn dossier-Delvaux. 'De muziek en het warme licht hadden hem erheen gelokt.' Hij stond bij de stoomcarrousel en staarde naar de meisjes op de circuspaarden. 'Oorlogsliedjes galmden over de boulevard. Trams stonden vast in de menigte, hun geklingel ging verloren in het lawaai. Zweefmolens vol gillende meiden zwaaiden door zijn hoofd.'

Delvaux ging verder, langs de schommelschuiten en de Turkse Schop. Recht tegenover het Zuidstation stond een tent, 'met gedempt licht en een zware, opgetrokken voorhang van rood fluweel', het Musée d'anatomie Spitzner.

In het kermismuseum waren anomalieën te zien, schrijnende misvormingen: de gevolgen van syfilis en misgeboorten, maar ook 'de slapende Venus' en 'de geheimen van de anatomie van de vrouw'. Het museum was voor Delvaux een openbaring.

In het rariteitenkabinet van Spitzner hing een schilderij van de beroemde dokter Charcot - 'een kromme grijze man, meer een musicus dan een dokter', zegt Vergeer. Charcot behandelt tijdens een openbaar college, une leçon clinique, een hysterische vrouw die in trance verkeert.

Het schilderij Le musée Spitzner uit 1943, een van de topstukken op de tentoonstelling, is een geheimzinnig tafereel met een typisch Delvaux-decor: het skelet, de afwezige blikken van zowel de naakte jongeling als de vrienden - alsof hun pupillen zijn uitgedoofd, het station, het beeld dat zijn schaduw werpt op het verlaten plein, een duidelijke verwijzing naar zijn 'leermeester' De Chirico.

Delvaux schilderde realistisch (Le canal à Anderlecht, 1921) en in de jaren twintig, in het kielzog van de Lathemse School, ook uitgesproken expressionistisch. De handen van de man op Le banc (1927) herinneren aan de plompe boerenhanden van Constant Permeke en de gestyleerde gezichten van de vrouwen aan de frêle figuren van Gust De Smet of Gustave Van de Woestyne.

Zijn 'schilderkunstige queeste' langs realisme, post-impressionisme en animisme bracht hem in het voetspoor van de surrealisten. Voor Delvaux echter was het surrealisme maar een kort avontuur. 'Het surrealisme is een politiek idee', beweerde hij. 'Maar ik ben helemaal niet in politiek geïnteresseerd.' Delvaux verwierp het dogmatisme van 'de Paus van het surrealisme' André Breton, die met vrijwel iedereen was gebrouilleerd. Hij heeft zich nooit bij hen aangesloten. Delvaux was geen flamboyant kunstenaarstype, zoals Dalí of Breton, maar leefde en werkte eerder teruggetrokken.

In zijn atelier, waar een skelet stond en waar hij speelgoedtreintjes verzamelde, ontstonden poëtische taferelen. Hij schilderde vrouwen 'omdat ze begeerlijk zijn en mooi', liggend op een chaise longue, op pleinen en vooral in trein- of tramstations. Het zijn ondoorgrondelijke types, onbereikbaar en in zichzelf verzonken: zwijgende courtisanes, Vestaalse maagden, nimfen, zeemeerminnen, godinnen of 'boomvrouwen', zoals op L'appel de la nuit, 'de lokroep van de nacht'.

Elk doek is 'een gedicht van de stilte'. Delvaux schildert zoals de oude meesters, schrijft Claude Lévi-Strauss in de catalogus. 'Zoals zij is hij een voortreffelijk tekenaar. (. . .) Delvaux schept een nieuwe werkelijkheid door de wereld opnieuw te componeren. Tussen tijd en ruimte ontdekt hij onvermoede verbanden.'

Paul Delvaux, tot en met 27 juli in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, Brussel. Catalogus: 1450,- Bfr.

Dossier Delvaux, door Koen Vergeer, uitgeverij Atlas, ¿ 29,90.

Meer over