De basis van de moraal

ONDER intellectuelen is niet-geloven tegenwoordig de nuloptie. Meer nog dan een norm waaraan men in die kringen moet voldoen wil men serieus worden genomen, is onvoorwaardelijke areligiositeit het vanzelfsprekende en dus onuitgesproken uitgangspunt....

Hoe logisch dit ook lijkt, het is natuurlijk wel de omgekeerde wereld. Want de mens, zo leren geschiedenis en geesteswetenschappen, is nu eenmaal ongeneeslijk religieus van aard; een karaktertrek die, zo luiden recente biosociale theorieën, wellicht zelfs erfelijk bepaald is, want ontstaan tijdens de evolutie van de mens en alleen al daarom ergens goed voor.

Hoe dit ook zij, zonder geloof vaart niemand wel. Is het niet in een God, in de vooruitgang of in een betere wereld, dan gelooft de ongelovige toch altijd nog in de kracht van de menselijke rede, casu quo zijn eigen verstand. De vraag 'wat gelooft iemand die niet gelooft?' is dus zo gek nog niet. Het is niet toevallig ook de vraag waarop Umberto Eco en Carlo Maria Martini een antwoord zochten in een briefwisseling die, gebundeld, de titel Als we niet geloven, wat geloven we dan? meekreeg.

De ene briefschrijver, Eco, is hoogleraar in de taalfilosofie en gepatenteerd vrijdenker, maar vooral bekend als auteur van literaire bestsellers zoals De naam van de roos en De slinger van Foucault. De andere is theoloog en kardinaal en wordt in welingelichte katholieke kringen getipt als opvolger van paus Johannes Paulus II. De correspondentie tussen beiden, op touw gezet door en in eerste instantie gepubliceerd in het Italiaanse tijdschrift Liberal, is curieus, niet in de laatste plaats omdat de kardinaal het gesprek op schrift voert op persoonlijke titel - 'als gelovig en ontwikkeld mens', zoals Eco fijntjes vaststelt - en niet uit naam van de kerk. Curieus ook, omdat Eco ten enenmale de hooghartigheid mist die a- en antireligieuzen in debat met gelovigen doorgaans tentoonspreiden. Speurend naar de laatste resten religieuze droesem op de bodem van de eigen ziel, blijkt hij bereid zichzelf volledig bloot te geven.

Eco doet dat bijvoorbeeld door meteen al in zijn eerste brief aan Martini ruiterlijk toe te geven dat de mens zonder God onder de voortdurende dreiging van chaos, waanzin en geweld leeft. Wil hij niet kansloos ten onder gaan, dan moet hij daar iets tegenover stellen, bijvoorbeeld een doel in het leven. Want, schrijft hij, 'Alleen vanuit een gevoel dat de geschiedenis een richting heeft (ook voor wie niet in de wederkomst van Christus gelooft), kan men de aardse werkelijkheid liefhebben, en oprecht geloven dat er nog ruimte is voor de Hoop.'

Zonder geloof geen doel, zonder doel geen hoop en zonder hoop geen reden het goede te doen en het kwade te laten. Over de noodzaak van het laatste, dat met de term 'moraal' aardig is samengevat, zijn beide heren het eens. Alleen vraagt de kardinaal zich af wat voor een ongelovige de basis van zo'n moraal kan zijn. Waarom zou een mens zijn tijd verdoen aan ethisch gedrag, als hij in God noch gebod gelooft en hij zichzelf derhalve ook niet hoeft te verantwoorden voor zijn gedrag tegenover een macht die hij hoger acht dan zichzelf?

De redenering van Martini is tamelijk simpel, haast op het simplistische af. 'Als God niet bestaat, is alles toegestaan', citeert hij met instemming Dostojevski en hij roept zelfs de notoire godloochenaar Sartre te hulp, die, door God uit te schakelen, tevens dacht de mogelijkheid om zeep te helpen ooit nog 'waarden te vinden in een begrijpelijke hemel'.

Ethiek volgens Martini is in wezen weinig anders dan een plicht die de mens van buitenaf is opgelegd door het Opperwezen. De naleving ervan wordt de sterveling afgedwongen, met het vooruitzicht van hel of hemel als pressiemiddel.

Het leven van Christus, inclusief Diens vergeving van degenen die Hem kruisigden, dient daarbij als het ultieme voorbeeld hoe goed te leven. Zonder Absolute Waarheid - de zekerheid omtrent het bestaan van God bijvoorbeeld - kan een ethiek het volgens de kardinaal niet stellen. Sterker nog, de leefregels die eruit voortvloeien, zijn zelf absoluut in die zin dat ze tijdloos zijn en universeel geldig.

Tegen deze wat armoedige argumentatie krijgt het tegenbetoog van Umberto Eco haast shakespeariaanse trekken. Voor hem is ethiek geen absolute grootheid, maar juist voortdurend in beweging en daarom steeds bespreekbaar. Geen plicht dus, maar onderwerp van een discussie tussen betrekkelijk autonome mensen.

Het fundament van de bereidheid zich ook daadwerkelijk aan zo'n ethiek te houden, ligt niet in een onzichtbare God, maar in de zichtbare ander. De medemens biedt de mogelijkheid tot herkenning, en is de spiegel waarin de mens zich een beeld van zichzelf kan vormen. Zonder die weerspiegeling en het begrip en de erkenning van een of meer anderen, kan de mens niet leven.

Basis van de moraal is dus de solidariteit, zou men Eco kunnen nazeggen, ware het niet dat dit begrip wegens misbruik tot een obligate geitenwollensokkenkreet verworden is. Maar het eenvoudige 'wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook aan een ander niet', is nog altijd een handzaam, maar niettemin volwaardig uitgangspunt voor ethisch verantwoord gedrag.

Dat succes allerminst verzekerd is, tonen oorlog en ellende in de wereld wel aan. Maar dat is nog geen reden deze simpele stelregel als onhaalbaar op te geven. Bovendien is ook de van God gegeven ethiek van Martini geen garantie voor een braaf en voorbeeldig leven. Ook gelovigen blijken immers wonderwel tot zondigen in staat.

Eco's areligieuze opvatting stoelt - misschien wel tegen beter weten in - op de hoop, op geloof in het leven en op een zeker vertrouwen in de mens. En dat levert, ondanks de kans op mislukking, een heroïscher mensbeeld op dan dat van het type gelovige dat volgzaam tracht te doen wat hem gezegd wordt zonder zich af te vragen waarom, of hooguit vanuit de verwachting zo het eeuwige leven te mogen beërven. Hoewel de kardinaal in de bundel het laatste woord heeft, slaagt hij er niet in deze conclusie te ontkrachten.

Jammer dat deze waardevolle discussie, waaraan ook nog een zestal in Italië blijkbaar bekende, maar hier niet nader geïntroduceerde filosofen, journalisten en politici bij wijze van 'koor' bijdragen, is gevat in een alleszins rommelig bundeltje. De vertaling rammelt, de stijl- en spellingcontrole laat het voortdurend afweten ('schrijfer' op het achterplat), de talrijke Latijnse termen en citaten blijven onvertaald en de moeite is niet genomen de personalia van alle auteurs, hoe summier ook, te vermelden.

Het verkoopt toch wel met Umberto Eco op het omslag, moet de uitgever gedacht hebben. Dat zal dan ook wel de reden zijn waarom Eco's naam daarop uit een aanzienlijk groter letterkorps is gezet dan die van Martini.

Meer over