De Arbeiderspers moest blijven marcheeren

Bloed en bodem op z'n Hollands

Schilders Ed

Uitgeverij De Arbeiderspers was in de Tweede Wereldoorlog een interessante prooi voor de Duitse bezetter. Toch probeerde de uitgeverij de socialistische idealen niet te verraden.

Jo van Ham was een machtig man. In 1941 werd hij benoemd tot hoofd van de Afdeling Boekwezen, een onderdeel van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, en vanaf dat moment kon geen auteur, boekhandelaar, bibliothecaris, en vooral geen uitgever meer om Van Ham en zijn ambtenaren heen.

In 'De Arbeiderspers moest blijven marcheeren', een studie over de boeken die in de oorlogsjaren door De Arbeiderspers (AP) werden uitgegeven, geeft Frederike Doppenberg een opmerkelijke anekdote over de overijverige Van Ham. Hij had de tekst van Rotterdamse idylle, een romance van Arie Pleysier, goedgekeurd, maar toen hij het gedrukte boek zag, schrok hij. Het bleek ook foto's te bevatten, Rotterdamse taferelen van vóór het bombardement. Zulke foto's, schreef hij in een brief, zouden wel eens aanleiding kunnen geven tot 'vals nationalisme', namelijk door het medelijden 'dat bij velen met het verbrande stadsdeel van Rotterdam verbonden is'. Het gebeurt niet vaak, maar hier moeten we Van Ham gelijk geven. Natuurlijk riepen dergelijke foto's een afkeer op van de bezetter en diens cultuur.

En dat was nou juist niet de bedoeling geweest. De Arbeiderspers was in 1940 door de Duitsers 'overgenomen' om het nationaal-socialistische gedachtegoed ook via de letterkunde en de pers te verspreiden onder het socialistische volksdeel. Het machtige bolwerk dat De Arbeiderspers toen nog was, met Het Volk als dagblad, een drukkerij, literaire uitgeverij, eigen boekhandels en colporteurs, leek daarvoor het beste instrument. De geschiedenis ervan is door Gerard Mulder c.s. vastgelegd in De val van de Rode Burcht; de oorlogsjaren zijn uitgebreid behandeld door Adriaan Ve-nema. Frederike Doppenberg brengt de historische kaders opnieuw en effectief in beeld, om zich vervolgens te concentreren op de gevolgen van de nieuwe politieke en economische afhankelijkheid.

Hoe gingen de bestuurders van De Arbeiderspers daarmee om? Met die vraag belanden we onvermijdelijk in de oude zoektocht naar het punt waar samenwerking om bestwil ophoudt en collaboratie begint. Het AP-verhaal speelt zich af tussen twee uitersten. Kort voordat Rost van Tonningen het bedrijf bezocht om de overname bekend te maken, verhing de toenmalige directeur, Y. van der Veen, zich in een badruimte van het bedrijf. Zijn opvolger, Piet Schuhmacher, nam zich voor de uitgeverij door de oorlogsjaren te loodsen om het in betere tijden te kunnen inzetten als instrument van de socialistische idealen. Wat hem lukte, maar niet in dank is afgenomen, vooral niet door socialisten.

Geheel nieuw is Doppenbergs onderzoek van het boekenfonds van de AP in oorlogstijd. De verrassendste conclusie daarvan is dat er nauwelijks een klare lijn valt te ontwaren in de totstandkoming ervan. De nationaal-socialistische ideeën over literatuur waren weliswaar behoorlijk gedefinieerd, de letterkundige uitvoering ervan was blijkbaar lastiger.

Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat de AP Duitse auteurs kon uitgeven die in Duitsland 'ongewenst' waren. Een opvallend aandeel vormen de uitgaven over de glorie van de Nederlandse geschiedenis, of over het eigen heem: de overwintering op Nova Zembla, schilderkunst in de Gouden eeuw, Elfstedentocht van Jef Last, Tijl Uilenspiegel, Tussen dijken en sloten van S. Franke. Ze lijken aan te sluiten bij de 'bloed-en-bodemliteratuur' die door nationaal-socialisten gepropageerd werd, maar Doppenberg laat zien dat dergelijke titels al ruimschoots voor de oorlog geliefde en vooral onverdachte lectuur waren.

In dat verband aarzelt de onderzoekster, maar ik denk dat het waar is en vergelijkbaar met de anekdote hierboven over Van Ham: 'dat de bloed-en-bodemliteratuur, die de glorie van de Hollandse natie bezong, onbedoeld lezers moet hebben getrokken die zich door die boeken geste

rkt hebben gevoeld in hun afkeer van de Duitse bezetting.'

Uiteindelijk is Doppenbergs onderzoek dus ook een verrassend bewijs dat Schuhmacher het niet alleen als bedrijfseconoom goed gedaan heeft, maar ook als uitgever in oorlogstijd.

Meer over