Columnsylvia witteman

Dat zou mij allemaal niet overkomen, dacht ik bij het lezen van De schaamte voorbij. Revoluutsie!

null Beeld

In mijn tienerjaren ging ik vrijwel alleen met jongens om, omdat ik meisjes (op een enkeling na) saai vond, en achterbaks en hysterisch. Jongens waren lomp, maar je kon met ze lachen, en ze accepteerden mij als ‘one of the guys’. Als dank ging ik met al die jongens naar bed, een prima ruil, tot ik erachter kwam dat ook jongens saai, achterbaks en/of hysterisch konden zijn, waarna ik op zoek moest naar een nieuw wereldbeeld. Ook niet erg, ik was jong, en al doende leert men.

Die jongens, mijn vrienden dus, waren gymnasiastjes, vol literaire Sturm und Drang en zéér belezen, tenminste, dat vonden ze zelf. Ze dweepten met Gombrowicz, Gontsjarov en Italo Svevo (terecht overigens), maar aan het lezen van vrouwen begonnen ze niet. We zaten midden in de tweede feministische golf, en die jongens vonden heus wel dat man en vrouw gelijk waren, vooral als het op neuken aankwam, en ze wisten van horen zeggen ook wel wie Simone de Beauvoir was, maar schrijfsters als Hannes Meinkema en Anja Meulenbelt vonden ze verschrikkelijk.

De grootste held van het groepje nam geregeld De schaamte voorbij mee naar de kroeg (gejat van het nachtkastje van zijn moeder) en vermaakte het gezelschap door er hardop uit voor te lezen. ‘Alle vrouwen zijn lesbies behalve die het nog niet weten!’, joelde hij dan. ‘Vrouwenkamp Femø! Dat mens gaat op vakantie en laat haar zoontje gewoon barsten. Hier, moet je horen wat voor brief dat arme kind haar stuurt! ‘Lieve Anja, ik heb bij een echte familie gelogeerd. Dat was erg leuk. Het gaat goed met mij, dag, Armin.’’

Ik nam het boek mee naar huis en las het. Alleen die spelling al! ‘aksie’, ‘romanties’, ‘gevrejen’, ‘fantasties’, ‘didakties’, ‘kommune’, het was even bespottelijk als goedbedoeld, net als de huidige mode om een schrijfster een ‘vrouwelijke schrijver’ te noemen, of huidskleuren in te delen in ‘wit’ en ‘zwart’.

Meulenbelts proza is lelijk. Ze schrijft kromme zinnen (‘neuken op de divan in de nette kamer van zijn ouders wanneer ze er niet zijn, met een handdoek tegen het vlekken’) maar er zit wel vaart in, of ‘urgentie’ zoals dat tegenwoordig heet. ‘Dan word ik ’s ochtends misselijk, kots in de wc, en later in de pauze op school. Ik krijg rare eetneigingen, wil opeens alleen maar knakworst eten met ketchup, die ik daarna meteen weer uitspuug. De misselijkheid houdt aan. Mijn moeder neemt me mee naar de huisarts. Ik ben zestien.’

Lelijk, maar glashelder. De ‘ik’ trouwt met haar bezwangeraar, die (uiteraard) een klootzak blijkt en belandt in het treurige huisvrouwenleven waarin miljarden meisjes haar voor zijn gegaan: ‘Hoe wassen andere mensen lakens, grote onoverzichtelijke lappen, water over de vloer dat zich vermengt met het vuil. Ik kots bijna boven de luiers, die ik te lang heb laten staan. Wat moeten we vandaag weer eten, geld bijna op en we moeten nog twee dagen. Durf niet om meer geld te vragen. Ik kan weer longragout maken, dat kost heel weinig maar dan moet ik nu boodschappen doen anders is er niet genoeg tijd om de lucht uit de long te koken.’

Longragout! Ik was zelf 16 en veilig aan de pil, maar hier las ik met afgrijzen hoe het héél anders kon lopen, in een meisjesleven. Opeens begreep ik ook hoe mijn moeder in de val was gelopen. Nee, dat zou mij allemaal niet overkomen! Revoluutsie!

Ja, daar denk ik nog weleens aan terug. Bijvoorbeeld als ík weer degene ben die de kattenkots opruimt, de remsporen uit de wc-pot schrobt, of kokhalzend die slijmerige klont haren uit het doucheputje staat te pulken.

Meer over