Dans , dans robot

‘Ach kijk nou, hij raakt helemaal overstuur.’ Toeschouwers op Terschelling tikken elkaar aan. ‘Wat zielig voor hem als het vannacht gaat regenen.’ Ze staan oog in oog met Liquid Space 6.1., een lichtgevende toverbal op drie hoge poten.

Annette Embrechts

Het ding staat middenin een vallei in het Hoornse bos. De invallende schemering versterkt zijn feeërieke aanwezigheid. Alsof een net gelande ufo zijn nieuwe territorium aftast. ‘Zou hij mijn aura kunnen lezen’, vraagt een vrouw zich af.

De bol boven de hoofden van de toeschouwers licht in allerlei kleuren op, afhankelijk van de bewegingen die ‘hij’ tussen zijn poten waarneemt. Zijn buigbare reuzenbenen bestaan uit bundels draden. Het ding reageert op motoriek: het zakt in, helt naar links of rechts, rekt zich weer uit en ‘praat’ in bliebjes en piepjes. Het lijkt zich meewarig te ontfermen over de mensen die onder zijn bogen steeds gekkere fratsen uithalen.

Als toeschouwers de ‘digitale kwal’ hebben opgewarmd – een bijnaam die circuleert tijdens Oerol omdat de ontwerper zich liet inspireren door het lichtgevende gedrag van kwallen in de diepzee – nemen professionele dansers het over, met een choreografie van Giulia Mureddu. Vanachter bomen en struikgewas glippen ze tevoorschijn, tot hun kruin gehuld in witte geslachtsloze pakken. Langzaam nestelen ze zich onder de bogen. Sluip door, kruip door. Liquid Space 6.1. vindt het heerlijk: gloeiend van genot buigt hij alle kanten op.

Liquid Space 6.1., ontworpen door tech-kunstenaar Daan Roosegaarde en gemaakt door de tien medewerkers van zijn Rotterdamse Studio Roosegaarde, is niet de enige interactieve installatie die de aandacht trekt op festivals. Steeds vaker brengen dansgroepen en choreografen installaties mee vol bewegingsgevoelige software. Als interactief decor in hun voorstelling of als voor- of naprogramma op festivals waarbij toeschouwers zelf de aansturende macht van bewegingen mogen ondergaan.

Zo werkt choreograaf Ed Wubbe van het Scapino Ballet Rotterdam met videokunstenaar Jérôme Siegelaer (alias vj Stalker) aan de Dansmachine, die bewegingen van een danser (of een niet geoefende beweger) ter plekke uit elkaar rafelt tot geïsoleerde deelbewegingen (geprojecteerd op schermen). Een Scapinodanser zag zich dus tijdens festival STRP in Eindhoven (voor kunst en technologie) geconfronteerd met zes digitale alter ego’s, die plagerig goochelden met zijn choreografie. De ene ‘schaduw’ herhaalde de draai van zijn linkerarm, de andere de schommel van zijn rechtervoet. Het publiek mocht als ‘co-choreograaf’ de danser bewegingsaanwijzingen geven: ‘Doe eens dit, rek eens zo, schuif eens uit’. Met direct effect op de schermen.

Begin juli maakte filmkunstenaar Matthias Oostrik (29) een vergelijkbare installatie in Paradiso voor het festival I like to watch and dance too (onderdeel van Julidans). Op vier blokken konden dansers en toeschouwers door te bewegen beelden genereren op metershoge schermen. Gingen hun armen de hoogte in, schoten digitale vlammen op doek de nok in van de voormalige kerk in Amsterdam.

Een paar deuren verderop, in Theater Bellevue, liet Chunky Move op uitnodiging van het dansfilmfestival Cinedans een prachtig geraffineerd voorbeeld zien van de integratie van dans en kunstmatige intelligentie. In deze Glow, gemaakt door choreograaf Gideon Obarzanek en interactief softwaredesigner Frieder Weiss, bepaalde een danseres met haar bewegingen volledig het beeld en geluidsdecor. Afhankelijk van haar draaiingen en schuivers over de witte vloer trok ze strepen achter zich aan, kaders, omlijningen of spirografen. Soms leek een onzichtbare rechercheur haar gevloerde lijf razendsnel te omtrekken, soms ontsnapte ze als een Lucky Luke aan haar eigen schaduw.

De combinatie van dans en nieuwe media is zeker niet nieuw. Decennialang proberen dansers en choreografen realtimebeelden op te wekken met hun lichamen. In Nederland zijn onder anderen Karin Post en Bianca van Dillen er intensief mee bezig, respectievelijk met software als motion capture (dat de beweging van een lichaam overzet op een soort uitdijend Michelinmannetje op een scherm) en Life Forms waarmee met de computer sequenties op driedimensionale animatiefiguren kunnen worden uitgeprobeerd. In Het Muziektheater zijn vaak hightech dansvoorstellingen te zien geweest van bijvoorbeeld wizzkid Wayne McGregor en architectuurliefhebber Frédéric Flamand. In laboratoria voor nieuwe media zoals V2_Lab en Montevideo experimenteren performers ook geregeld met dans, geluid en bewegingsgevoelige software.

Nieuw is echter de enorme rekensnelheid van computers, waardoor vertragingen in reactietijd tot het verleden behoren. Bovendien is de benodigde techniek goedkoper geworden, toegankelijker, beschikbaarder én onzichtbaarder.

Vroeger zaten dansers volgeplakt met draden en sensoren en vulden computers, camera’s en beeldschermen het toneelbeeld. Nu zijn muis en toetsenbord nauwelijks meer nodig. Interfaces worden aan het oog onttrokken. Dansers zijn geen slaaf meer van machines.

Hoeveel hightech er bij Glow ook komt kijken, in het sobere decor is geen sensor of computer te zien. De camera, weggewerkt achter doek, filmt de vloer waarop hij tegelijkertijd projecteert. Ook dat kan tegenwoordig zonder ongewenste interferentie. Obarzanek: ‘Ik kan de bewegingen van de danseres live in van alles omzetten. Complete werelden kan ik projecteren op die witte vloer. Maar ik kies voor strakke mathematische vormen. Danstoeschouwers associëren gemakkelijk bij deze universele abstracties. Bij die spirografen denken mensen wellicht aan hun jeugd, hoe ze met potlood en tandwiel in de weer waren.’

De gebruikte robottechniek, hoe futuristisch die voor een leek ook oogt, daar willen de kunstenaars juist niet de nadruk op leggen. Veel meer zijn ze geïnteresseerd in de emotionele reacties van mensen erop, de zogenaamde technopoëzie in de woorden van Roosegaarde: ‘Neem de roltrap. Die start met draaien net voordat je de eerste tree bestijgt. Iedereen kent het gevoel dat je bekruipt wanneer de roltrap het plots niet doet. Die emotie bestond honderd jaar geleden nog niet.’

Professionele dans kan een interessante bijdrage leveren aan deze technopoëzie. Roosegaarde: ‘De motoriek van gewone mensen is beperkt. Dansers beheersen ongekend veel verschillende bewegingen. Daardoor krijgt de interactie met de machine meer diepte. Net als een choreograaf wil ik weten welke bewegingen welke emoties opwekken. In mijn geval bewegingen van een machine.’

Dansers leren op hun beurt een deel van de controle uit handen te geven. Roosegaarde: ‘Het gaat om co-control: samen iets opbouwen met een onvoorspelbare robot. De angst dat de robot de controle overneemt, is ouderwets, die stamt uit sciencefictionfilms uit de jaren tachtig.’

Choreografe Giulia Mureddu: ‘Voor dansers is het lastig omdat ze niet weten wanneer er iets gaat gebeuren. Je denkt dat het ding jou leest, dat er menselijke interactie ontstaat. Maar zonder jou gebeurt er niets. En bij te veel impulsen gaat het ding kalibreren, rusten. Daarop probeer je als danser in te spelen.’ Met de gezichtsloze pakken wilde Mureddu haar dansers verheffen tot een abstractie van een mens. Zoals de robot dat in feite ook is. Je ziet uniforme wezens in ‘gesprek’ met een onvoorspelbaar futuristisch ding dat toch emoties oproept.

Roosegaarde: ‘Liquid 6.1. slaat alle beweging die hij detecteert op in zijn geheugen. Ik heb hem zo geprogrammeerd dat hij motoriek die hij vaak ziet gaat negeren. Dat is een uitdaging voor dansers. Zij zijn gewend een choreografie exact te herhalen. Liquid heeft juist verandering nodig.’

Dansers moeten dus meer improviseren. Het grappige is dat ook zij, net als de toeschouwers, daarbij toch menselijke emoties op de robot projecten. Terwijl hij weer niet danst zoals een menselijke partner zou doen. Dat spel maakt het spannend.

Volgens componist en cineast Thierry De Mey, die interactieve installaties creëerde met choreografen als Anne Teresa de Keersmaeker, Michèlle Anne De Mey en William Forsythe, zit de kracht van de interactie in de uitbreiding van het arsenaal aan choreografische gedachten. ‘De danser controleert, ontketent en manipuleert met louter de beweging van zijn lichaam klanken en beelden doorheen de ruimte’, schrijft hij op zijn website. ‘Naast volledig uitgewerkte choreografische ideeën kunnen ook spontane en authentieke bewegingen, geografische plaatsbepalingen of dwarse interrupties de motor zijn van een creatie. En dat alles ook door elkaar.’

Bovendien kan een interactief decor betekenis toevoegen aan een abstracte dansvoorstelling. Oostrik: ‘Ik probeer met mijn omgevingen de toeschouwers mee te nemen in een letterlijk en figuurlijk bewogen verhaal dat ter plekke associatief wordt verteld.’

Zo ook bij Glow: het dynamische decor verandert razendsnel de gemoedstoestand waarin de voorstelling zich voltrekt. ‘Tekent’ de danseres een streepjescode, dan oogt Glow formeel. Laat ze een lichaamsomtrek achter, dan ontstaat de suspense van een detective. Onttrekt ze zich aan haar schaduw, dan krijgt de performance iets cartoonesk.

Het decor wordt dus een dynamische caleidoscoop met dans als immateriële architectuur. Dankzij geavanceerde bewegingsgevoelige software accepteert de toeschouwer die snelle sfeerwisselingen als vanzelfsprekend.

Toch is Roosegaarde de eerste om de intelligentie van dit soort bewegingsgevoelige installaties te relativeren: ‘In mijn speeksel en op mijn vingertoppen zit meer informatie dan ik in al die microchips en sensoren kan stoppen. Het menselijk lichaam is nog steeds duizend maal magischer dan al die computertechnologie bij elkaar.’ Mureddu: ‘Echt gevaarlijk wordt Liquid Space nooit.’ Roosegaarde: ‘Daarom is voor mij de interactie met de onvoorspelbaarheid van de mens interessant.’ De samenwerking heeft in ieder geval Mureddu’s verzet gestaakt tegen de toenemende aanwezigheid van techniek in onze dagelijkse omgeving. ‘Mijn aversie bleek ouderwets sentiment.’

Roosegaarde ziet de toekomst graag voor zich: ‘Nu zijn het nog roltrappen, deuren en stoplichten die anticiperen. Maar binnen vijf jaar maak ik met mijn collega’s een gebouw dat zich opent waar je maar naar binnen wilt. Eén vaste deur oogt dan ouderwets. Dát noem ik vloeibare architectuur. Muren die door bewegingsdetectie aanvoelen wat er moet gebeuren. En dan laat ik dansers dat gebouw in gebruik nemen.’

Meer over