DagboekTraunstein, 1944

Dagboekfragment: Jehova’s getuigen zitten hun celstraf uit zonder een klacht

Traunstein, 23 oktober 1944

Van 7 uur ’s morgens tot tot 5 uur ’s avonds werk ik in de naaicel, samen met twee oudere vrouwen. Het zijn getuigen van ­Jehova; de een, mevrouw M., zit voor de tweede keer in de gevangenis, dit keer al dertien maanden, de ander elf maanden.

Het feit dat zij Jehova’s getuigen zijn, is al voldoende om hen te betichten van hoogverraad. Ze zijn principiële pacifisten; hun mannen en zoons weigeren dienst. De zoon van mevrouw W. is om die reden geëxecuteerd. Ze draagt het zonder een klacht.

Het zijn wonderlijke lieden. Ze stoppen, naaien en verstellen gevangenislinnen alsof ze ervoor betaald krijgen. Ze zijn vrijwel ongevoelig voor het harde leven in de gevangenis, want ze weten zeker dat op een dag ‘de eeuwige vrede’ zal aanbreken, niet in de hemel, maar op aarde.

Dan begint het rijk van de gerechtigheid, maar eerst komt er een verschrikkelijke veldslag in Armageddon en worden de onrechtvaardige machthebbers van deze aarde vernietigd.

Ze zeggen dat de nazi’s dat heel goed weten en dat de rechters van de Gestapo daarom zo woedend reageren, als ze die tijdens hun verhoor aan Armageddon herinneren.

Ik kan maar niet wijs worden uit hun geloofsleer. Het is net alsof ze afgezien van hun haat jegens de macht en de hoop op Christus geen enkel denkbeeld hebben.

Luise Rinser (1911-2002), Duitse schrijfster en activiste. Ingekort fragment uit Dagboek uit de gevangenis. Vertaling Ruth Wolf. Uitgeverij Leopold, 1964.

Meer over