dagboekFrida Vogels (1991)

Dagboekfragment: eindeloos wachten op de eerste hulp

Erik van den Berg deelt dagelijks een opmerkelijk fragment uit zijn verzameling historische dagboeken.

Bologna Beeld Getty
BolognaBeeld Getty

Bologna, 29 april 1991

De eerste ogenblikken lag ik daar maar. De broeder die mijn vingers had vastgehaakt kwam me zeggen dat ik die vingers moest bewegen. Strekken – dichtknijpen, onophoudelijk, met alle kracht die ik bezat en zo, dat het pijn deed. Hij deed het me voor. ‘Anders gaan uw vingers zwellen’, zei hij, ‘en dan is het mis.’

Hij deed het me nog eens voor en keek me daarbij dwingend aan. ‘Ja’, zei ik nog eens. Hij ging weer weg. Ik opende en sloot vagelijk mijn vingers. Het gips begon koud te worden. Ik begon te rillen, te schudden, te klappertanden. Daar was geen houden aan. Ik had alleen mijn hemd aan en trok het kussen waar mijn arm op rustte zo goed mogelijk over me heen.

In het verlengde van de mijne stond een brancard waarop een jongen lag te jammeren. Een oudere broeder stond naast hem met een infuus. ‘Rustig nu maar’, zei hij, ‘het is nu eenmaal gebeurd.’

Daarna gebeurde er niets meer. Dokters, broeders en zusters kwamen langs met jassen aan. Het was etenstijd. De domme achter de ­balie werd afgelost. Ik bleef daar maar liggen en rilde.

Eindelijk kwam de oudere broeder weer. Hij keek naar me. ‘Wat moet die vrouw hier?’, vroeg hij aan de broeder die nu achter de balie zat. Die wist dat ook niet. De oude broeder las het formulier dat op mijn voeteneind lag. ‘U moet nog eens naar de röntgen­kamer’, zei hij bestraffend. ‘Jawel’, zei ik.

Frida Vogels (1930), schrijver en vertaler. Ingekort fragment uit Dagboek 1977-1978. Van Oorschot, 2014.

Meer over