DagboekHenny Brenner (1924)

Dagboekfragment: eerst opgejaagd door de nazi’s, nu door de Russen

Erik van den Berg deelt dagelijks een opmerkelijk fragment uit zijn verzameling historische dagboeken.

Erik van den Berg
Het 'Blaues Wunder’. Beeld Getty
Het 'Blaues Wunder’.Beeld Getty

Dresden, 8 mei 1945

Op 8 mei kwamen de Russen, onze bevrijders. Tanks met gevechts­troepen rolden over het Blaues Wunder (hangbrug over de Elbe, red.). Het eerste wat je kon zien waren soldaten die huizen binnendrongen om te plunderen en vrouwen te verkrachten. In het ­begin waren we blij en dachten na al die jaren van angst en vernedering: verdiende loon.

Maar spoedig merkten we dat we weer in de rol van slachtoffer terechtkwamen. Niets interesseerde ze, alleen matka en wodka. Wij riepen: ‘Evrej’ (Jood), maar daarop antwoordden ze lachend: ‘Niks Evrej, Hitler kapot, jij spion!’

Samen met de Duitse mede­bewoners liepen we nu naar onze kelder. Daar ontdekte mijn vader een dubbele muur, waarachter de vrouwen zich verstopten. Er was ook een klein kind bij, wiens mond we dicht moesten houden om het stil te laten zijn, waardoor de Russen ons minder makkelijk zouden vinden. We hadden in onze stoutste dromen niet kunnen vermoeden dat we ons voor onze bevrijders moesten verstoppen.

Soldaten klopten met hun geweren op de muren en mijn vader leidde ze door het huis. Toen ze de kelder naderden, liet hij expres zijn lamp vallen.

We hoorden een schot en dachten: ‘Nu is alles verloren. We hebben het tot nog toe overleefd, maar de bevrijders hebben mijn vader ­omgebracht op zijn eerste dag in vrijheid.’

Henny Brenner (1924). Uit Mijn leven dank ik aan de bommen – Een Joods meisje in Dresden. Vertaling Leo van Santen. Uitgeverij Aldo; 2018.

Meer over