DagboekNina d’Aubigny (1770-1847)

Dagboekfragment: aan de dracht op Marken kun je de Spaanse tijd nog afzien

Erik van den Berg deelt dagelijks een opmerkelijk fragment uit zijn verzameling historische dagboeken.

Marken 1898.Beeld Getty Images

Marken, 21 augustus 1791

De wind was gunstig en om niet opnieuw zeeziek te worden, namen we weer gauw onze plaatsen in onder de grote mast. In de verte zagen we Marken en omdat het water niet diep genoeg was, vertrokken we per sloep om op het eiland aan land te gaan.

De Zuiderzee veroorzaakt veel schade bij Marken. Men heeft een plan ontworpen om er een dijk omheen aan te leggen zodat de zee niet elk jaar alles overstroomt. Er zijn zes- tot zevenhonderd inwoners. Die arme inwoners hebben niet eens toestemming hun eigen brood te bakken, want dat privilege behoort tot de rechten van Monnikendam.

Er groeit geen boom en geen ­koren; het hele eiland bezit niet meer dan zes tot acht koeien. De inwoners zijn bijna allemaal vissers en bieden hulp aan de schepen die naar Pampus varen.

Ze dromden samen toen we arriveerden. We kunnen opmerkingen maken over de fysionomie van deze eilanders, die anders is dan van hun landgenoten. De vrouwen hebben mannelijke trekken, maar in het algemeen zien ze er goed uit. Hun kledij bestaat uit een met zwart afgezet vest en een jak van zwart laken met een puntkraag wat zeer flatteert.

Er was een getrouwde vrouw in een Spaanse japon. De kinderen zijn ook op zijn Spaans gekleed, hetgeen nog dateert uit de tijd dat dit land gebukt ging onder het Spaanse juk.

Nina d’Aubigny (1770-1847). Ingekort fragment uit Niet zo erg Hollands – Dagboek van een reis naar Nederland. Vertaling Heleen Metzelaar en E.R. d’Engelbronner. Verloren, 2001.

Meer over