Daar duikt de duurste Rembrandt weer op

De Minerva van Rembrandt is al geruime tijd te koop en wordt nu aangeboden in Zweden. Vooralsnog blijven kopers uit. Hoe werkt de handel in topstukken? 'Je koopt niet zo gauw een schilderij van iemand die je niet aardig vindt'...

Tweehonderd luxe Bentley's kun je ervoor kopen. Twintig monumentale panden aan de Amsterdamse grachten. Twee privévliegtuigen. De duurste Rembrandt die ooit op de markt werd aangeboden, moet 37,5 miljoen euro kosten.

Maar de Minerva in haar studeerkamer (1635), dat Rembrandt op zijn 29ste schilderde, is dan ook een buitenkansje. 'Het is een zeldzaam en belangwekkend schilderij', stelt de Maastrichtse kunsthandelaar Robert Noortman, die zelf drie Rembrandts in de verkoop heeft. 'Belangwekkend voor elk museum in de wereld.'

'Het verkeert in perfecte staat', meent Jeroen Giltay, conservator Oude Meesters van museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. Het doek, dat de Romeinse oorlogsgodin achter een tafel afbeeldt, zou het laatste mythologische schilderij van Rembrandt kunnen zijn dat nog op de markt komt. 'Wie wil kopen, moet het nu doen', adviseerde onlangs Bob van den Boogert, conservator van het Rembrandthuis – het Amsterdamse museum dat zelf niet voldoende budget heeft voor de aanschaf.

Maar die oproep kreeg vooralsnog geen gehoor. Twee jaar is het schilderij van 116 bij 137 centimeter nu in de verkoop. Elke onderhandeling met geïnteresseerde musea en particulieren liep uiteindelijk stuk.

Onlangs dook Minerva ineens op op een plek waar je 'de duurste Rembrandt' niet direct zou verwachten. Niet in New York, niet in Amsterdam, maar in Stockholm wordt het doek nu aangeboden. Op een tentoonstelling bij de Zweedse Verner Amell, een kunsthandelaar over wie de internationale pers vooral wist te melden dat hij twee jaar geleden vijf schilderijen, waaronder een Breughel, door diefstal verloor. Wat doet het doek in Zweden, en waarom is het nog niet verkocht? De verkoop van de zeldzame Rembrandt laat zien hoe de markt voor oude meesters in elkaar steekt.

Twee jaar geleden hing de Minerva al prominent op de Maastrichtse Tefaf, 's werelds belangrijkste beurs voor oude kunst. Daar werd het werk voor 40 miljoen dollar aangeboden door de New Yorkse Otto Naumann. Naumann is nog steeds de eigenlijke verkoper van de Minerva. Maar over de transactie wil hij weinig kwijt. Naumann: 'Voor meer informatie moet je Alfred Bader maar bellen, de eigenaar.'

Alfred Bader is een fanatieke verzamelaar van Rembrandts school. Jaarlijks koopt hij enkele doeken voor zijn eigen verzameling, die hij in zijn geheel zal schenken aan de door hem opgerichte Queen's University in Kingston, Ontario. Tegelijk handelt Bader – met Naumann – regelmatig in werken van Rembrandt. Samen behoren zij tot de belangrijkste spelers op de markt van Rembrandts. Zo kocht het Amsterdamse Rijksmuseum in 1993 Rembrandts Portret van Johannes Uyttenbogaert van Bader en Naumann voor 17 miljoen gulden – een omstreden aankoop, want een half jaar daarvoor hadden beide heren het werk voor 14 miljoen gulden gekocht op de veiling van Sotheby's in Londen, waar ook het Rijksmuseum op het doek bood.

Doorgaans verschaft de 80-jarige Bader het vermogen voor zulke transacties – de van oorsprong Weense industrieel werd rijk met het chemiebedrijf Aldrich dat hij in 1951 oprichtte – en regelt Naumann de verkoop. Een gebruikelijke constructie in de kunstwereld. Op de markt van oude meesters zijn veel werken immers zo duur, dat kunsthandelaren een topstuk niet zelf aan kunnen kopen. Zo bezit Robert Noortman van de drie Rembrandts die hij in zijn kunsthandel aanbiedt er slechts één 'voor honderd procent': het Portret van een oude man met baard in een rode buis (uit 1633, vraagprijs: 20,3 miljoen euro) is 'gefinancierd door leningen bij banken'. Rembrandts Portret van een oude vrouw (1632, 45 miljoen) bekostigde hij net als Naumann 'met een partner'. Vaak ook vindt een kunsthandelaar geen bank of andere geldschieter. Dan zit er niets anders op dan een werk in consignatie van de eigenaar te nemen, zoals Noortman doet met Rembrandts Zelfportret (1632, 8,1 miljoen). In dat geval strijkt de handelaar bij verkoop een percentage van de prijs op.

Wat evenwel bijzonder is aan het duo Naumann-Bader is de openheid die zij betrachten. 'Bader is handelaar, benefactor en verzamelaar ineen', zegt de in Rembrandt gespecialiseerde kunsthistoricus Gary Schwartz. 'Maar hij windt geen doekjes om zijn handel. Hij doet het open en bloot.' Dat kun je van veel andere verzamelaars niet zeggen. Doorgaans hult de kunstmarkt, en zeker die in oude meesters, zich in nevelen. Op veilingen maken de koper en de verkoper hun naam zelden bekend. In de handel wordt over prijzen geheimzinnig gedaan. 'De een houdt van publiciteit, de ander niet', verklaart de Amsterdamse kunsthandelaar Peter de Boer. 'Dat kan uit angst voor criminaliteit zijn, of vanwege de fiscus. Maar de hele markt is transparanter geworden door het internet.'

De Minerva kwamen Bader en Naumann op het spoor in Japan. Wie de Japanse eigenaren waren? Bader zou het best willen zeggen, maar hij stuurt per fax vanuit zijn hotelsuite in Milwaukee een clausule van het verkoopcontract waarin staat dat de koper en de verkoper van het schilderij de details van de transactie 'vertrouwelijk' zullen houden. Bader: 'Als ik het werk in mijn eigen collectie had gehouden, had ik de aankoopprijs best willen vertellen. Maar omdat Naumann het voor mij verkoopt, is dat niet verstandig. Ik kan wel zeggen dat het onder de 40 miljoen dollar was.'

Nadat Bader en Naumann de Minerva in 2001 in Japan hadden aangekocht, toonden ze het doek in 2002 op de Tefaf in Maastricht. Directe kopers bleven uit, maar verschillende musea in de Verenigde Staten toonden interesse: de Rembrandt hing achtereenvolgens in de zalen van het Museum voor Schone Kunsten in Houston en het kunstmuseum van Philadelphia – 'in bruikleen van een privé-collectie' stond er discreet op het kaartje naast het schilderij – terwijl beide musea genoeg geld probeerden op te halen om het werk aan te kopen. Dat lukte niet.

Op de Tefaf liet Naumann aan de pers weten dat ook een Nederlands museum interesse had. Welk museum wilde hij niet zeggen. Was het Boijmans Van Beuningen in Rotterdam? 'Zulke bedragen hebben wij nooit ter beschikking. Wij waren het niet', zegt Jeroen Giltay, conservator Oude Meesters. 'Dan moet dat het Mauritshuis of het Rijksmuseum zijn geweest.'

Frits Duparc, directeur van het Mauritshuis en zelf ooit actief in de kunsthandel: 'Noch het Rijksmuseum, noch het Mauritshuis heeft serieuze pogingen gedaan het werk te verwerven. Als er morgen een weldoener voor de deur staat die mij de Minerva cadeau doet, neem ik het natuurlijk met beide handen aan. Maar het is voor het Rijks en het Mauritshuis geen schilderij dat wij cruciaal genoeg vinden om er allerlei fondsen voor te mobiliseren.'

Particulieren zijn vooralsnog evenmin te porren voor het werk. 'Alles bij elkaar heb je het wereldwijd niet over vijf of tien gegadigden, dan heb je het over dubbele cijfers', stelt Duparc. Maar rijke kunstkopers trekken hun buidel liever open voor kunst die nog niet zo heel lang geleden is gemaakt. De recordprijzen op kunstveilingen staan vrijwel zonder uitzondering op naam van Picasso, Van Gogh en andere moderne meesters – van de oude meesters komt alleen Peter Paul Rubens op het lijstje voor.

'Een goede kunsthandelaar, en dat is Naumann, heeft op het moment dat hij een werk aankoopt al een lijstje met mogelijke kopers in zijn hoofd, en een chronologie waarin hij die gaat benaderen', stelt Frits Duparc. Niettemin kreeg Naumann de Minerva niet verkocht. Vandaar dat hij inging op een verzoek van de Zweedse kunsthandelaar Amell om het werk enkele weken in Stockholm in een tentoonstelling te hangen. Dat een werk wordt doorgesluisd naar – strikt genomen – een concurrent is geenszins uitzonderlijk in de kunsthandel. 'Je koopt niet zo gauw een schilderij van iemand die je niet aardig vindt', zegt kunsthandelaar De Boer. Vandaar dat het verstandiger kan zijn om het werk aan een collega door te spelen, als die een mogelijke koper kent. Slaagt de verkoop, dan kan de collega op een percentage rekenen.

Dat de Minerva in Stockholm hangt, suggereert dat er een serieuze koper in Zweden is. Een museum zal dat niet zijn. 'De enige met mogelijke interesse en voldoende geld is het Nationale Museum in Stockholm', meent Duparc. 'Maar die waren in 2002 ook op de Tefaf.'

Als de Minerva verkocht wordt in Zweden, is het aan 'een oude verzamelaar', vermoedt Duparc. 'Al kan een type als de directeur van IKEA natuurlijk ook.' Volgens Robert Noortman moet ook niet uitgesloten worden dat het doek vanuit Zweden aan een Rus verkocht wordt. Ook dan: een particulier.'Er zijn op dit moment geen Russische musea die het werk kunnen kopen', weet Duparc. De nieuwe Russische rijken daarentegen zijn sinds enkele jaren op de kunstmarkt met een ware opmars bezig.

Kunsthandelaar Verner Amell wil alleen kwijt dat hij 'een aantal cliënten' voor de Minerva in

gedachten heeft, onder wie 'één in het bijzonder': een Zweedse particulier, die de Minerva volgens hem aan het Nationale Museum in Stockholm in bruikleen zal geven.

Dat koop moet wel plaatsvinden vóór 22 oktober. Dan verstrijkt de deadline, en keert Minerva terug naar Otto Naumann in New York.

Aan de authenticiteit zal het niet liggen, dat de Minerva zo lang onverkocht bleef. Ernst van de Wetering, emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, bestudeerde het werk in 1975, toen het op de veiling kwam. Volgens het gezaghebbende Rembrandt Research Project, waaraan hij destijds leiding gaf, gaat het om een 'echte' Rembrandt. Twijfel daarover kan leiden tot een enorme waardevermindering van een oude meester op de markt. Maar in dit geval schreven twee voormalige medewerkers van Van de Wetering, Volker Manuth en Marieke de Winkel, zelfs een catalogustekst voor Naumann, die hij prominent op zijn website plaatste.

Het schilderij verkeert bovendien in een uitstekende staat en ziet er na een in opdracht van Naumann en Bader verrichte restauratie weer stralend uit. En ook de zogeheten provenance – de lijst van personen die het werk in het verleden in het bezit hadden – is prima. De illustere New Yorkse kunsthandelaar Lord Duveen, die rijke Amerikanen een eeuw geleden hun vermaarde collecties hielp opbouwen, komt er bijvoorbeeld op voor. Later was het werk in handen van de Zweed Axel Wennergen, eigenaar van de stofzuigerfabrieken van Electrolux, en van Baron Bich, houder van het patent op de Bic-balpen. De afgelopen veertig jaar is Minerva bovendien nauwelijks in het openbaar te zien geweest, en dat kan op de kunstmarkt als een pre werken. Wel merken kunsthistorici op dat het werk niet tot rust lijkt te willen komen – het is wel erg vaak van eigenaar verwisseld, en wil maar niet in de collectie van een museum belanden.

Aan de reputatie van Bader en Naumann zal het evenmin liggen; kunsthistorici en kunsthandelaren laten zich lovend over hen uit. Duparc: 'Naumann is een van de toonaangevende handelaren in Hollandse en Vlaamse oude meesters in de wereld'. Ook van een van hun grootste concurrenten, Robert Noortman, geen onvertogen woord: 'Beiden heren hebben hun hart verpand aan Rembrandt. Bader heeft heel veel geld, en een enorme passie. Otto heeft die passie ook, en combineert dat met handelsgeest.'

Is de Minerva dan toch te prijzig? 'Het is ongelooflijk duur, een onwaarschijnlijk bedrag', vindt Jeroen Giltay van museum Boijmans. Schwartz: 'De prijzen van Bader en Naumann zijn meestal aan de lage kant. Zeker vergeleken met die van Noortman.' Maar hij schrikt als hij de vraagprijs hoort. 'Veertig miljoen dollar! Dat is een Noortman-prijs.'

De prijs die een handelaar vraagt, wordt deels bepaald door het bedrag dat hij zelf voor een werk neerlegde, deels door de andere prijzen op de kunstmarkt. Naumann beaamde tegenover het Britse dagblad Telegraph dat de 40 miljoen dollar die hij in 2002 vroeg voor de Minerva gebaseerd is op de 45 miljoen euro die Noortman in 2001 vaststelde voor diens Rembrandt, het Portret van een oude vrouw.

Over die prijzen valt nog wel te onderhandelen, weet Mauritshuis-directeur Duparc, ook al ontkennen veel kunsthandelaren dat vaak ten stelligste. Wat volgens hem vooral een cruciale factor bij aankoop is, is de esthetiek van een werk. Plat gezegd: is het een leuk doek? En dat blijkt de crux bij Minerva: over haar schoonheid zijn de kenners niet direct te spreken.

Giltay drukt het voorzichtig uit: 'Ik heb het schilderij verschillende keren gezien. Het is uit een periode dat Rembrandt een beetje Rubens probeerde na te doen. Daarom is het on-Rembrandtesk, niet wat we ons bij Rembrandt voorstellen. Kennelijk zijn er niet zo veel mensen die zo'n schilderij willen hebben.'

Noortman: 'Het is een belangrijk schilderij, maar Minerva heeft wel een lelijke kop.' Duparc: 'Minerva is niet de mooiste, laat ik het zo uitdrukken. Niet de meest attractieve dame. Dat zal zeker ook een rol spelen.'

Toch zien zij de toekomst van Minerva niet somber in. Noortman: 'Het kan soms een paar jaar duren, maar een Rembrandt wordt zeker verkocht.' Duparc: 'De afgelopen drie jaar is er ook heel wat gebeurd. De periode na 9/11 betekende voor de hele wereld, en dus zeker ook voor de wereld van de kunsthandel, onzekerheid. Dit schilderij valt in een prijscategorie waarvan kopers nu zeggen: laten we even de kat uit de boom kijken.'

Ook Bader is nog steeds optimistisch over een verkoop: 'Ik zou zeggen dat de heer Amell goede hoop heeft dat hij het doek kan verkopen. Want hij betaalt voor de verzekering en het transport uit de VS. Dat is niet goedkoop: vele duizenden dollars.' Mocht het lukken, dan ontvangt Amell een commissie die volgens Bader 'om en nabij de 2 miljoen dollar' bedraagt. De rest van de winst, dat wil zeggen het verschil tussen de aankoop-en de verkoopprijs, verdelen hij en Naumann.

En als het niet lukt, ook geen probleem. Bader: 'Ik heb geen haast met de verkoop. Ik heb geen geld geleend om het werk te kunnen kopen. Twee jaar is voor mij niet zo lang. Het kan nog best langer duren.'

Meer over