Couscous bij de tempel

De Grieken waren er, de Romeinen, de Moren, zelfs de Vikingen: Sicilië is altijd een kruispunt van culturen geweest. Het eiland heeft nu een tempel van Zeus en een olijfboom van de Arabieren....

Eric van den Berg

De kashba is stilletjes vanochtend, de mannen zijn nog op zee. Hun vaders en opa’s zijn er wel, die drinken koffie in het koffiehuis. En de jonge zonen lopen wat rond bij de haven, in trainingspak en zonnebril. Misschien gekocht bij het stalletje waar ze natuurlijk tópmerken verkopen tegen afbraakprijzen; waar een Arabische zangeres op een cassettebandje het lichte lentezonnetje toezingt.

Piazza Regina – alleen de naam van het plein lijkt nog iets te verraden van de locatie. Dit hoekje van Mazara del Vallo, een stadje aan de Siciliaanse westkust, lijkt meer Tunesië dan Italië. Er is een hammam, in het Arabisch aangegeven, en er is een moskee, oké, moskee-tje, want al weet je het adres op de Via San Francesco, een smalle straat in de citadel, die ene groene deur loop je zo drie keer voorbij.

Zesduizend Tunesiërs wonen er in dit Siciliaanse stadje, een minderheid, en per jaar komen er een paar honderd bij – overgevaren. Het is alsof het altijd zo is geweest; het leger van de Saracenen (Arabieren, Berbers, Moren) landde hier al aan het begin van de 9de eeuw, op weg naar Palermo en Siracusa. Ze waren niet de enigen: de Grieken, de Feniciërs en de Romeinen waren er al geweest, en later zouden de Vikingen en de Spanjaarden nog langskomen.

Bij de plaatselijke VVV weten ze er een leuke draai aan te geven: ‘We zijn gewend aan buitenlanders.’ En: ‘Iedereen is welkom.’

Wat waar is, al zou een woordje Italiaans ook bij het toeristenbureau wel helpen. Zelfs daar zijn ze niet aan toeristen gewend – de meeste vakantiegangers landen in Catania, in het oosten nabij de Etna, en een zesdaagse tour reikt niet tot hier.

Een tolk Engels is niet voorhanden, jammer. Een tolk Italiaans-Arabisch dan? Die is wel te vinden in de Arabische school aan de overkant, zegt Titiana, de vrouw achter het bureau, hoopvol. ‘Wacht, ik ken iemand’, zegt ze, half in het Italiaans, ja en nee in het Engels, half gebaren, half gegiechel. ‘Zij werkt in een winkel en kent iemand die misschien wat Engels spreekt. Maar die kan alleen om drie uur vanmiddag. Waarschijnlijk.’

Waarmee heel Mazara del Vallo meteen je hart heeft gestolen. En alles oké is. Bovendien, het Museum van de Sater, de trots van Mazara, heeft voor toeristen ook een ondertitelde videoband over De Dansende Sater, een meer dan 2300 jaar oud Grieks beeld dat in 1998 door de vissers van de Capitan Ciccio is opgetakeld uit zee. En de kathedraal van San Salvatore is ook wel eigenmachtig te vinden; gebouwd door de Noormannen in de 11de eeuw, hérbouwd in barokke stijl in de 17de eeuw – zo gaat dat op een eiland dat eeuwenlang oorlogszone was, of liever: altijd een kruispunt van culturen is geweest.

Als je het zó zegt, verdient dat een jaarlijks feestje: La Sagra del Mandorlo in Fiore, het Festival van de Amandelbloesem, elke februari in de stad Agrigento, aan de zuidkant van het eiland, een goed uur rijden van Mazara. Begin vorige eeuw was het bedacht als lentefeestje voor de boeren, die hun typisch Siciliaanse producten konden tonen. Nu is de amandelbloesem de metafoor voor het mooie, het frisse, het jonge, voor het feest van licht en kleur, voor ‘de broederschap van volkeren’.

En waar kan dat beter dan in de Vallei der Tempels – genoteerd op de werelderfgoedlijst van de Unesco. Hier werd zes eeuwen voor Christus de stad Akragus gesticht; hier bouwden de Grieken de Tempel van Concordia (440-430 v. Chr.), ongeveer gelijktijdig met het Parthenon op de Akropolis. Carthago vernietigde de stad een paar decennia later, maar de tempel is er nog; die staat nu te boek als een van de best bewaarde Griekse tempels ter wereld. Die van Zeus (oorspronkelijk 112 bij 56 bij 35 meter) is er slechter aan toe.

Vandaag is de dag: aan de voet van de Concordia ontsteken gasten uit de hele wereld als de zon onder is de Vlam van de Vriendschap. Met muziek. Eerst schalt luid over de vallei het festivallied (meezinger met koor), daarna schakelt de regie over op Procol Harum en – om in het Griekse thema te blijven – Demis Roussos (Rain and Tears).

‘Dertig jaar geleden deed ík dat ook al’, zegt Giuseppe Alaimo, docent aan de toerismeopleiding in Agrigento, als hij toeziet hoe jongeren het vuur aansteken. ‘Het is zo’n mooie traditie. Toen Israëliërs en Palestijnen nog in Camp David zaten, waren ze hier samen al rond de tempel aan het dansen. Het doel is vrede. Iedereen samen. Er zijn hier ook wel eens majorettes uit Delft gekomen. Die waren erg populair.’

Het amandelfestival is een folklorefestival. En -wedstrijd. Het dans- en zangensemble Lietuva uit Litouwen is dit jaar de grote winnaar; de prijs voor de mooiste kostuums gaat naar Bulgarije; het mooiste meisje, Miss Lente, komt uit Mexico. Sicilië van en voor alle culturen, is de boodschap van Agrigento.

Eerst samen feestvieren, met doedelzak of panfluit, bij de ‘Arabische boom’ (12 eeuwen geleden als stekje geplant) tegenover de tempel, dan de stad in. Langs de markt aan de Viale della Vittoria, waar de helft van de kraampjes snoep verkoopt of iets wat daarop lijkt. ‘Ook dat hebben we misschien van de Arabieren’, zegt Giuseppe. ‘We zijn zoetekauwen. Heb je de cassata al geprobeerd? Een soort Arabische cake. Of de cialdone, beetje Spaans, beetje Arabisch, een dessert met ricotta en amandelen.’

De amandelen, daar zijn ze dan. Ze lijken overal in te gaan. Dat ze hier couscous eten, was al niet opvallend meer, wel dat ze zoete couscous eten – met pistachenoten en amandelen. De nonnen van het Klooster van de Heilige Geest, in het middeleeuwse centrum, zijn er zelfs beroemd om geworden, hun patisserie met pistachenoten en vijgen, en de amandelspijs. Ze maken het nog steeds – reden om even aan te bellen, na de Metten en de Terts. Binnen twee minuten sta je weer buiten met een pakketje zoet met een keurige strik eromheen.

De amandel, die hier al schijnt te groeien sinds het vijfde millennium voor Christus, is overal. In de bakkerijen aan de Via Atenea, een van de weinige straten waar het niet vol staat met geparkeerde auto’s, in de vitrines van de bars die er een doppio bij serveren, of zelfs in de amandelmelk, maar toch vooral aan de bomen. De bloesems verraden hun aanwezigheid, tegen een decor van de Tempel van Castor en Pollux, het beeldmerk van Agrigento, onder wolkenluchten die William Turner er moet hebben opgehangen.

Mooiste plekje: de Giardino della Kolymbetra, de Tuin van Kolymbetra, een tuin die dertig jaar verwaarloosd was, maar sinds 2001 weer wordt bijgehouden, door het Fondo per l’Ambiente Italiano. De vrouw achter de kassa geeft voor 2 euro een entreebewijs plus een bloedsinaasappel en een vanillesinaasappel. Want zo’n tuin is het.

‘Een stukje Eden’, is de Giardino al genoemd, ‘een hoekje van het Beloofde Land’. Een echte Siciliaanse Tuin, zo zeggen de Sicilianen, wat eigenlijk betekent dat het vooral een echt Mediterrane Tuin is. Bomen, struiken, planten – ze komen alle uit landen rond de Middellandse Zee. Van huidige vrienden, van vroegere vijanden. De citroen: geïntroduceerd door de Arabieren. De granaatappel: voor de Romeinen symbool van vriendschap en democratie. De terpentijnboom: de hars ervan werd door de Grieken gebruikt bij de behandeling van nierstenen.

Op Sicilië pluk je het verleden gewoon van de boom. Zoeken is nergens nodig (al maakt de belabberde bewegwijzering het je soms onnodig lastig). 30 Procent van het Italiaanse erfgoed is op dit eiland te vinden. Van het Benedictijner klooster in Catania, het Griekse theater in de badplaats Taormina, tot de belangrijkste Romeinse overblijfselen bij Piazza Armerina: de Villa del Casale uit de vierde eeuw. Daar ligt 3500 vierkante meter aan prachtige mozaïeken (die een overkapping hebben gekregen die eerder doet denken aan een reptielenhuis van een B-dierentuin dan aan een Unesco-monument).

En Palermo – over kruispunt gesproken. De Tunesiërs die het niet redden in Mazara del Vallo, proberen het hier op de Viccuria-markt, of in een restaurant met couscous én pizza op de kaart. Of kijk naar het opvallend hoge aantal inwoners met blauwe ogen: komt van de Vikingen. Die hadden hier bijna een millennium geleden hun zetel, toen Palermo hoofdstad was van hun koninkrijk. Zij al versmolten andere culturen in de hunne: de koningen spraken Grieks, Latijn én Arabisch; in de kathedralen die ze bouwden, in Palermo en Monreale, vind je Moorse, Noorse en Spaanse stijlen terug – alles gaat samen.

‘Het zit ín ons’, meent Giuseppe Alaimo, de docent toerisme. ‘We zijn voorbestemd als bruggenbouwers.’

Sicilië is geen eiland, zeggen de Sicilianen aldus – Sicilië is een continent.

Meer over