'Couperus hielp mij de oorlog door'

Niemand heeft zoveel over Louis Couperus geschreven als Frédéric Bastet. Ondergedoken tijdens de oorlog, ontdekte hij het werk van de Haagse meester....

door Aleid Truijens

'WAT IK het meest ben; wetenschapper, schrijver, biograaf?' Frédéric Bastet weet het niet: 'Bij mij kwam altijd van het een het ander.' Zijn belangstelling voor de Franse literatuur en schilderkunst van de negentiende eeuw deelt hij met Louis Couperus, net zoals zijn liefde voor de Italiaanse beeldende kunst en de klassieken. Zijn studiereizen en zijn werk voor het Nederlands Instituut in Rome brachten hem in de lievelingsstad van Couperus, die ervan overtuigd was een gereïncarneerde Romein uit de late keizertijd te zijn. Carel Vosmaer, over wie hij in 1967 zijn eerste biografische schets schreef, was ook een kunstbeschouwer, kenner van de klassieken en de bekendste Homerus-vertaler van zijn tijd. 'Zo kwam het allemaal samen. Maar de essentie is de behoefte aan het schrijven. Alleen zijn met een pen en een stuk papier, en dan iets maken met woorden.'

Louis Couperus zou zich op zijn gemak hebben gevoeld in de stijlvolle, harmonieus ingerichte kamer van zijn drie jaar na zijn dood geboren biograaf Frédéric Bastet. Een vleugel en een glanzend, onberispelijk bureau waaraan ieder ogenblik gewerkt kan worden, domineren de kamer. De her en der gedrapeerde lappen en de snuisterijtjes die Couperus, zo lezen we bij Bastet in Louis Couperus - Een biografie (1987) overal met zich meesleepte om zijn pensionkamers 'gezellig' te maken, ontbreken - hier woont geen vage dromer; de geest van Bastet is ordelijk. Mediterraan blauw overheerst, al is het in dit geval afkomstig uit Engeland: een schitterende verzameling Wedgewood-aardewerk, achttiende-eeuws en nieuwer. De diepst-blauwe vaas komt uit de nalatenschap van Vosmaer.

Harde werkers, allebei, Louis Couperus en Frédéric Bastet, van wie daags na zijn 75ste verjaardag op 20 september Al die verloren paradijzen bij Querido zal verschijnen, een bundel met verspreide stukken over Couperus die een waardevolle aanvulling vormen op de veertien jaar oude biografie. Couperus poseerde graag als luie dandy, die af en toe, tussen het flaneren door, een paar uurtjes schreef. Toch schreef hij in 33 jaar een kolossaal en veelzijdig oeuvre bij elkaar: Haagse romans, historische romans, autobiografische romans, sprookjes en een enorme hoeveelheid journalistiek. Hij moest wel, pruilde hij vaak, 'broodschrijvertje' die hij was, gedoemd als enige in zijn vermogende familie te werken voor de kost, opgejaagd door de wetenschap dat zijn uitgever Veen hoge stapels van zijn 'onverkoopbare' romans in de kelder had liggen.

Bastet heeft geen pose nodig, bij hem zijn leven en werk vanzelfsprekend verstrengeld. Een veelzijdig man. Hij studeerde klassieke talen en archeologie, was als hoogleraar verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden en was van 1976 tot 1987 conservator van de klassieke afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden. Naast die zware banen schreef hij: poëzie, verhalen, romans, een reeks 'Wandelingen door de antieke wereld', talloze stukken over Couperus en ten slotte zijn levenswerk, de Couperus-biografie. Na zijn pensionering publiceerde hij Helse liefde, een biografische schets van Frédéric Chopin, Franz Liszt, Marie d'Agoult en George Sand (1997) en vorig jaar de vermakelijke 'memoires' van de Siciliaanse prinses Marie-Caroline de Berry, De schele hertogin.

'Eindelijk heb ik tijd om te doen wat ik het liefste doe', verzucht Bastet. 'Lezen en schrijven, geen vergaderingen en verplichtingen.' Deze levensfase bevalt hem. Ook daarin verschilt hij van Couperus, die de ouderdom met grote vrees tegemoet zag. 'Mijn God, wat ben ik toch oud en lelijk', klaagt Couperus in een van zijn Italiaanse schetsen. Hij is dan 47 en past in een winkel in Florence samen met Orlando, zijn breedgeschouderde, zwartgelokte vriend, een paar petten: géén gezicht. Bij de kapper 'souffreert' hij bij het zien van zijn bleke spiegelbeeld, hij zou wel willen huilen en wordt overvallen door 'een onweêrhoudbare melancholie om mijn dunne haar'. Couperus, zegt Bastet, was doodsbenauwd voor ouderdom en verval. 'Hij was een uitgesproken narcist.'

Op Italië projecteerde hij zijn enorme schoonheidsverlangen, en zijn geromantiseerde kijk op het verleden. 'Hij ziet in Italië vooral de buitenkant', zegt Bastet. 'Voor wat betreft de literatuur was hij op Frankrijk gericht, voor de beeldende kunst moest het Italië zijn. Maar toen hij er vanaf 1909 vaker en langer verbleef, was hij totaal niet geïnteresseerd in moderne kunststromingen, zoals het futurisme. Dat was zíjn Italië niet meer. Hij zag ook het patriottisme, de eerste aanzetten tot wat later het fascisme zou heten. Daar keerde hij zich gevoelsmatig van af; hij vond het welletjes, na de Eerste Wereldoorlog werd zijn hang naar het land minder.'

Het is opmerkelijk, zegt Bastet, dat Couperus niet het bijna vanzelfsprekende antisemitisme toonde dat in de betere kringen in Nederland in die jaren gewoon was, ook in artistieke milieus. 'De toon waarop men over joden sprak was: zij horen niet bij ons, zij zijn anders. Couperus had dat pertinent niet. Misschien doordat er in zijn familie veel vrijmetselaars voorkwamen, die stonden als weinigen boven zulk gedrag. Hij had veel joodse vrienden, Van Oss, hoofdredacteur van de Haagse Post, Israël Querido. De warmere omgang, de humor, iets meer exuberantie in praten en bewegen dan de stijve Hagenaars, daar hield hij van. Net als ik, trouwens. Misschien herkende hij in zijn joodse vrienden het gevoel maatschappelijk een outcast te zijn.'

Maar waar hij wel een afkeer van had, zegt Bastet - en hij vindt het een wat minder aangenaam trekje -, was 'het volk'. In 'Louis Couperus en Den Haag' gaat Bastet nauwgezet alle huizen en straten na die Couperus noemt in zijn werk. Eén ding is duidelijk: 'De Schildersbuurt was daar niet bij.' Couperus ging er in zijn stukjes voor Het Vaderland prat op dat hij niet leed 'aan een overmatige trotsheid van kaste-gevoel' - hij dweepte met mooie, sterke kolensjouwers, maakte grapjes met koetsiers, worstelaars, clochards en aan lager wal geraakte dichters - maar hij vond het een gruwel om in de Opera in Nice aangesproken te worden door de winkeljuffrouw bij wie hij die middag een stukje zeep had gekocht.

Hij moest niets hebben van de middenstand, van kleine ambtenaren, van de muffe sfeer van kachel en stoof. 'Hij wilde niet schrijven voor ''de huiskamer'' ', zegt Bastet, 'en daar was hij eerlijk in. Ik heb dat in mijn jeugd ook meegekregen, hoor, vooral van moeders kant. Mijn grootmoeder had het altijd over ''het volk'', daar ging je niet mee om.'

Voor die grootmoeder, die uit een Haags-Indische familie kwam, was Couperus een begrip. 'De stille kracht, daar had ze het altijd over. Mijn moeder heeft Couperus nog horen voorlezen. Ze kon hem prachtig nadoen, hoe hij uit Psyche voordroeg. Er stonden verschillende boeken van hem in de kast. Tijdens de hongerwinter, toen ik zat ondergedoken, heb ik de hele Couperus gelezen. Veel anders dan lezen kon je ook niet, ik heb toen ook de hele Homerus gelezen. Ik stuurde mijn moeder naar de bibliotheek en las het ene werk na het andere, bij kaarsjes en olielampjes.

'Ik herinner me nog de verbazing: wat is dit een groot schrijver! En vooral: waarom wéét niemand dat? Want dat werd je op school niet verteld. ''Eline Vere, zedenroman'', stond er in de boekenlijst. Nou, dacht ik, dát hoef ik dus niet te lezen. Couperus hielp mij de oorlog door. Er hing ook een mythe om die man, iets geheimzinnigs. Er werd vreemderig over hem gedaan, het was natuurlijk een beetje een rare man. Ik dacht: als je zo veel geschreven hebt als hij, en zo goed, dan mag je best raar zijn.'

Een rare man? In het bekrompen Den Haag wel, waar hij opzien baarde met zijn zwierige lichte pakken, zijn gemsleren schoenen en kanten jabots. Jongste zoon uit een groot gezin, straal verwend door zijn moeder en zusjes. 'Een papkindje', glimlacht Bastet. Een homoseksueel die, na een geestelijke crisis, op zijn 28ste trouwde met zijn nichtje Elisabeth Baud. Het was een 'blank' huwelijk. Het onvermogen om 'ziels- en lijfsverlangen' met elkaar te verenigen zou altijd een thema in zijn werk blijven, in Metamorfoze, Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan, in Langs lijnen van geleidelijkheid. Er is sprake van platonische liefde en van erotiek, maar nooit beide, voor één geliefde.

'Dat was zijn tragiek', zegt Bastet. 'Ja, je zou er meer over willen weten, maar je komt er helaas toch niet achter. Er zijn maar weinig egodocumenten van Couperus bewaard gebleven, dat was het grote probleem bij het schrijven van mijn biografie. Behalve de brieven aan zijn uitgever Veen, zijn er vooral kattebelletjes behouden, maar die zijn doorgaans zo onbelangrijk! ''Lieve freule, dank u voor de bééldige bloemen die u op mijn trapje hebt gelegd. . .'' Over zijn jeugd en adolescentie weten we haast niets. Ook niet over zijn vriendschap met jonkheer Ram. Is het verliefdheid geweest, of simpelweg een vriendschap tussen twee ''gevoelsgenoten''?'

Voor de vriendschap met 'Orlando' geldt precies hetzelfde: niets wijst erop dat het meer is geweest. Wel heeft Bastet de identiteit kunnen achterhalen van deze Florentijnse vriend, over wie Couperus adorerend schrijft in vele verhalen. Er is een brief van mevrouw Couperus aan Gerda van Woudenberg uit 1951, waarin zij het bevestigt. Bastet heeft de brief in zijn bezit, en laat hem zien. 'Kijk, daar schrijft ze het: ''Of Jan en Orlando werkelijk bestaan hebben? Ja zeker, en nog vele anderen met hen.'' Hij heette Giulio Lodomez, hij was een avonturier, ging naar Zuid-Amerika om goud te zoeken en maakte al het geld van zijn familie op. Nooit getrouwd geweest. Hij raakte gebrouilleerd met zijn moeder, die vervolgens zelfmoord pleegde.'

DE BRIEVEN die Couperus schreef aan deze oude mevrouw, Maria Lodomez, en aan Giulio's zuster Emma Garzes, 'Elettra' in de verhalen, zijn wel voor de muil van de tijd gespaard gebleven. Althans, de overgetypte versies van 39 van de 72 brieven die Emma Garzes bewaarde. Bastet heeft de in het Frans geschreven brieven vertaald en integraal opgenomen in 'Al die verloren paradijzen', het interessantste artikel in de nieuwe bundel. Het zijn ontroerende brieven, van een Couperus die niet poseert, en die zich tijdens zijn gedwongen verblijf in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog doodongelukkig voelt. Waar de overige 33 brieven zijn, zegt Bastet, is een raadsel. Misschien in de nalatenschap van uitgever en verzamelaar Johan Polak, die de brieven ooit op een veiling kocht. Een paar originelen mocht Bastet inzien, maar over de overige beweerde Polak niet te beschikken. Het is een duistere kwestie: 'Johan Polak, met wie ik goed bevriend was, heeft mij onfatsoenlijk behandeld, laten we het daarop houden.'

Het is goed mogelijk dat mevrouw Couperus een haar welgevallige selectie uit de brieven heeft gemaakt. 'Elisabeth is in 1938 naar Florence gegaan, en het kan best zijn dat ze de brieven samen met Emma heeft bekeken. Zij wilde het beeld van haar man dat de geschiedenis zou ingaan, stevig in de hand houden; daarin ging ze heel ver. In de biografie van Couperus van Henri van Booven uit 1933 komt de hele familie niet voor. Dat is krankzinnig, hij noemt de naam Garzes niet eens. ''Elettra en Orlando hebben bestaan'', schrijft hij, ''maar die zijn nu dood.'' Emma leefde toen nog. Hoor eens, heeft Elisabeth waarschijnlijk gezegd, schrijf maar op dat ze dood zijn. Of dat was vanwege de vriendschap tussen Orlando en Louis die ze voor de buitenwereld wilde wegmoffelen. . . , ik heb er geen bewijs voor. Maar als je iets zo gaat wegwerken, lijkt het er toch wel op.'

De Nijmeegse publicist Maarten Klein, vertelt Bastet lachend, heeft geschreven dat Couperus niet homoseksueel was. 'Nu ja, dan kun je net zo goed een essay schrijven waarin je beweert dat de paus niet katholiek is!' Couperus zelf, zegt hij, kwam op zijn manier openlijk uit voor zijn homoseksualiteit. 'Lees de Orlando-verhalen er maar op na. Daarin is hij heel openhartig. Het is ook een groot wonder dat hij in 1906, net nadat zich in Nederland een schandaal had voorgedaan rond Pijpelijntjes, de roman van Jacob Israël de Haan over de liefde tussen twee jongens, Een berg van licht publiceert. Hij noemde het boek zelf ''een roman over homosexualiteit'' en dat is het ook, als je het goed leest. Het is een heldendaad van Veen dat hij het uitgaf. De Komedianten? Dat is een uitgesproken pedofiele roman, voor de goede verstaander. Maar het blijft allemaal hoog boven de gordel. Hij heeft de homoseksualiteit in zijn werk altijd op een hoger plan getild.'

Of het een tragisch huwelijk was, dat van Louis en 'Betty', durft Bastet niet te zeggen. 'Een levenslange vriendschap, een Kameradschaftsehe. Dat kwam vroeger vaker voor. Meisjes van goeden huize die niet trouwden, waren aangewezen op de gunsten van hun familie, ze mochten niks. Door met Louis te trouwen, ontsnapte Elisabeth aan dat lot. Ik denk dat ze wel heeft geweten waaraan ze begon. Je leest in brieven tussen de regels door dat zij depressies heeft gehad. Ze stelde zich onder behandeling van een hypnotiseur. ''Het bleken niets dan nerfjes'', schrijft Couperus dan aan Veen. Tja, nerfjes. Wat heeft zich daar allemaal afgespeeld? In het sterk autobiografische slot van Van oude menschen staat dat Ellie, voor wie Betty model stond, wel eens wat anders wilde dan altijd maar door musea te lopen. . . ''Ze verlangde naar een kind.'' Is dat literatuur of werkelijkheid?

'Ze konden materieel niet zonder elkaar. Zij had geen cent en heeft ontzettend veel voor hem overgeschreven, ze kon als enige wijs uit zijn onleesbare handschrift. Ze zette hem telkens weer aan tot schrijven, ze dreef hem. En zij beheerde het geld. Ach, die jongen had gewoon iemand nodig die voor hem zorgde. Kijk, ík was mijn eigen overhemden wel.'

COUPERUS WAS een moeilijke man, denkt Bastet. 'De dochter van een nicht van Couperus vertelde hem dat Betty soms wanhopig bij hen binnenliep en riep: ''Louis is onmogelijk! Nou is het genoeg!'' Die man had enorme humeuren. Als het gestommel van de werkster hem stoorde, riep hij: ''Stuur die vrouw weg!'' En dan moest ze gaan. Kunstenaars moeten eigenlijk niet trouwen.'

In de jaren na de publicatie van zijn biografie gaf Bastet vaak lezingen over Couperus. Op een dag kreeg hij van een toehoorder een plastic zak overhandigd. Er bleek een porseleinen bordje te zitten. Bastet mocht het houden, als hij wist van wie dit bordje was. 'Nou, van de familie Couperus natuurlijk!' Hij had zelfs een keer van zo'n bordje mogen eten, bij een familie die in het geheel niet van de schrijver hield. Tijdens dat diner kwam het gesprek op de geheimzinnige werking van de ''stille kracht'' in de gelijknamige roman. Onzin, vond de heer des huizes. 'Hij vroeg mij: gelooft u daar soms ook in? Nog voor ik had kunnen antwoorden, begon er een schemerlamp te flikkeren, die vervolgens uitviel. Alsof Couperus een streek uithaalde. Er viel een ongemakkelijke stilte.'

En dan is er nog het wonderlijke verhaal over de twee filmpjes. Na het schrijven van de biografie ontdekte Bastet dat er twee filmpjes moeten zijn waarop Couperus te zien is. Johanna Funke, voormalig bestuurslid van het uit 1928 daterende Genootschap Louis Couperus, vroeg hem langs haar neus weg 'waar dat filmpje van Louis Couperus toch gebleven mag zijn?'

Bastet wist niets van een filmpje. Hij ging op zoek en jawel, er dook beeldmateriaal op, dat op de televisie werd uitgezonden. Daags erna belde Johanna Funke op: dit was een heel ander filmpje! Het eerste filmpje is tot op de dag van vandaag onvindbaar gebleven. Helaas kun je op het opgedoken filmpje zijn stem niet horen. Er zijn geen geluidsopnamen van Couperus bewaard gebleven. Wel een notenbeeld van een zin die hij uit Psyche voorlas, gemaakt door een Groningse student. Je kunt daaruit opmaken hoe muzikaal hij sprak, met een enorm bereik van hoog naar laag.'

'Het was een curieuze gewaarwording', zegt Bastet, om voor het eerst de man met wie hij zich tientallen jaren had beziggehouden, te zien bewegen. 'Het leek wel een spiritistische seance. . . Couperus die tot leven kwam! In zijn bewegingen, in zijn hele behaviour maakte hij op mij een levendige indruk: nog veel beweeglijker dan dat ik dacht dat hij zou zijn. Nee, dacht ik, het was beslist geen saaie man.'

Meer over