Interview

Connie Palmen is dertig jaar schrijver en dertig jaar beroemd: ‘Alleen in de liefde word je echt gekend’

Connie Palmen: ‘Ik herinner me die eerste tijd na De wetten als een tijd van groot geluk. Ik werd wie ik was. Alsof ik geboren werd.’ Beeld Eva Roefs
Connie Palmen: ‘Ik herinner me die eerste tijd na De wetten als een tijd van groot geluk. Ik werd wie ik was. Alsof ik geboren werd.’Beeld Eva Roefs

Uit het niets werd Connie Palmen dertig jaar geleden een bekend schrijver, met haar debuutroman De wetten. Vlak na verschijning ontmoette ze haar grote liefde Ischa Meijer. Hoe kijkt zij terug op die tijd? En wat doet roem met haar?

Deze maand is het dertig jaar geleden dat De wetten verscheen, het debuut van Connie Palmen. De roman was een absolute sensatie, de schrijver het middelpunt van een hype. Nog vóór De wetten was verschenen, gaf de volkomen onbekende debutant al een interview in Het Parool. En NRC Handelsblad opende het Cultureel Supplement die week met een paginagrote, juichende recensie en een foto van een kleine, tengere vrouw met blond plukhaar in een stoere leren jas. Vanaf dat moment draaiden de persen dag en nacht. Alleen al in 1991 werden er 400 duizend exemplaren van De wetten verkocht.

‘Het klinkt arrogant als ik het zeg’, lacht Connie Palmen, ‘maar ik vond het overweldigende succes normaal. Het was een bijzonder debuut, anders dan alle andere debuten.’ In De wetten had zij haar eigen roem voorspeld. Marie Deniet, de heldin van de roman, droomt dat ze als meisje van 14 in haar dorp over straat loopt en grote opwinding bespeurt onder de mensen. ‘Het was nog geen uur geleden verkondigd op de radio: ik had de Nobelprijs gewonnen. Dat kon onmogelijk waar zijn. Ik had nog geen letter gepubliceerd.’

‘Die droom heb ik niet hoeven verzinnen’, zegt Palmen. We spreken elkaar via Zoom, omdat ze doodsbang is besmet te raken met corona. Ze zit met de laptop op schoot op de bank in haar huis aan de Herengracht in Amsterdam, waar ze jarenlang woonde met Hans van Mierlo. En sinds zijn dood in 2010 alleen. ‘Ik herinner me de eerste tijd na de publicatie van De wetten als een tijd van groot geluk. Ik werd wie ik was. Of ik geboren werd…’

Als schrijver of als Venus, uit het schuim der branding?

Ze lacht. ‘Allebei! De herinnering aan de publicatie van mijn eerste boek valt samen met de ontmoeting met mijn eerste grote liefde, Ischa Meijer. Ik heb altijd gedacht dat ik geen talent had voor nostalgie, ik beschouw zwelgen in het verleden als gevaarlijk, maar door de verfilming van I.M. werd het verlangen naar Ischa weer losgewoeld. Niet alleen in gedachten, maar fysiek.

‘Het lichaam is dom, het snapt niet dat de ander dood is. Het is als een hond die jarenlang bij de deur blijft wachten tot zijn baasje terugkomt. Een onderdeel van de rouw is dat het verlangen naar de ander langzaam wegebt. In de afgelopen 25 jaar sleet het verlangen, de hond lag te slapen. Maar toen ik onze liefde op het scherm verbeeld zag, werd ik ineens zo droevig. Ik raakte in een modderstroom van missen. In z’n meesleurende kracht miste ik Hans ook weer, en mijn moeder en vader.’

Hoe was het om in de verfilming van uw roman uzelf en Ischa terug te zien?

‘De eerste, ruwe versie van I.M. keek ik thuis bij Michiel van Erp, de regisseur. Ik keek gepantserd, al verschenen er al wat barstjes in mijn harnas. Ik was ontroerd. Maar toen ik bij de première in Utrecht in de zaal zat, de film op dat immense scherm voor me zag en de liedjes hoorde die ik met Ischa draaide, thuis in Amsterdam en reizend door Amerika, toen werd het zwaarder. Ik ben altijd verliefd gebleven op Ischa.’

In I.M., de roman die Palmen in 1998 schreef, drie jaar na de plotselinge dood van Ischa Meijer, legde ze hun eerste ontmoeting vast. Die vond plaats op 5 februari 1991, even voor vier uur ’s middags, het moment dat de radio-opnamen van Een Uur Ischa begonnen in café Eik en Linde in Amsterdam.

‘‘La Palmen’, gilt hij me toe als ik de studioruimte van het café binnenkom. ‘We gaan het niet over De wetten hebben hoor’, zegt hij, terwijl hij mijn hand schudt, ‘we gaan het hebben over die hype rondom jou.”

“Ik wil het wel hebben over het boek’, zeg ik.’

Het gesprek begon Ischa met: ‘Mevrouw Palmen, laten we zeggen drie weken geleden was u nog niet bekend, nu bent u een media-event. O, dat rijmt!’

Hield Ischa u voor de gek?

‘Dat dacht ik toen ook, maar achteraf weet ik dat hij de waarheid sprak. Hij vond de hype interessanter dan het boek zelf. Als ik journalist was geweest, zou ik daar misschien ook de nadruk op hebben gelegd. De roem was het onderwerp van mijn scriptie, Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates, het krijgen van een naam speelt een cruciale rol in De wetten.’

Marie Deniet koestert het diepe verlangen om gekend te worden. Ze is bereid haar ziel te verkopen om te weten wie zij werkelijk is. In zeven jaar ontmoet ze zeven mannen die haar vertellen wat de wetten van het bestaan zijn: de astroloog, de epilepticus, de filosoof, de priester, de fysicus, de kunstenaar en de psychiater. Uiteindelijk beseft Marie, de ‘filosofische hoerenengel’, dat zij haar eigen wetten kan stellen door schrijver te worden.

U was 35 toen u debuteerde. Niets eens piepjong.

‘Ik wilde het leven uitstellen waarvan ik wist dat het zou gaan plaatsvinden. Ik ben sowieso langzaam op gang gekomen. Bij ons in Sint Odiliënberg was alleen een mavo. Daar bleef ik zitten. Ik verveelde me. Pas toen een leraar tegen me zei dat ik het mezelf moeilijker moest maken, ging ik vooruit. Ik ben eerst naar de pedagogische academie gegaan, daarna wilde ik Nederlands en filosofie studeren. Maar ik begon aan de verkeerde universiteit, de Vrije, omdat ik dacht dat die ‘vrij’ was. Toen ik merkte dat al mijn medestudenten gingen bidden voor koffie uit een plastic beker, wist ik dat ik verkeerd zat. Weer een jaar verloren.’

Als Ischa u vraagt hoe oud u was toen u wist dat u een schrijver was, zei u: 3 jaar.

‘Harry Mulisch heeft gezegd: schrijver word je niet, dat ben je. Zo heb ik het ook ervaren. Maar elk talent wordt geboren op een mestvaalt van onvermogen. Schrijven is ‘amorfatisch’, zoals Nietzsche het noemt. Je gaat het lot omhelzen van iets wat je niet kunt. Je gaat er iets tegenover zetten.

“Nee’ is mijn lievelingswoord, de weigering mijn natuurlijke houding. Maar mijn ‘nee’ is natuurlijk bedoeld om een groot ‘ja’ mogelijk te maken. Ik zag mezelf niet om negen uur op een kantoor zitten, de hele dag met mensen omgaan en op die manier geld verdienen. Als kind zei ik tegen mijn moeder:

‘Mam, ik word schrijver.’

‘Kind, daar kun je toch niet van leven?’

‘Mam, als ik het niet doe, word ik heel ongelukkig.’’

Connie Palmen: ‘Je kunt niet tot drie uur een goede moeder zijn, tot acht uur een goede schrijver en na achten een goede minnares.’  Beeld Eva Roefs
Connie Palmen: ‘Je kunt niet tot drie uur een goede moeder zijn, tot acht uur een goede schrijver en na achten een goede minnares.’Beeld Eva Roefs

Even overwoog u – net als Marie Deniet – om non te worden.

‘Grote keuzes maak je op de rand van het ravijn of met de rug tegen de muur. Non worden was de enige manier die ik kende om je als vrouw uit de wereld terug te trekken. Ik ben opgegroeid in een kloosterdorp. In de abdij woonden vijftien nonnen, die een contemplatief bestaan leidden. Lezen, studeren. Ze hoefden niet naar buiten. Het was logisch dat ik non wilde worden. Ik had geen ander voorbeeld. Anders moest ik moeder worden – en dat wilde ik niet.’

Dat klinkt absolutistisch.

‘Ik kan niet marchanderen met het lot. Het is alles of niets. Ik vind het moeilijk voorstelbaar dat vrouwen dat kunnen: moeder zijn en schrijven. Bij het schrijven van Jij zegt het – over de verwoestende liefde tussen Sylvia Plath en Ted Hughes – heb ik gemerkt dat zo’n zwart-witkarakter levensgevaarlijk kan zijn. Voor Plath nam het moederschap in haar hoofd te veel ruimte in. Je kunt niet tot drie uur een goede moeder zijn, tot acht uur een goede schrijver en na achten een goede minnares.’

Nadat ze in 1985 cum laude was afgestudeerd in de neerlandistiek – met een scriptie over het werk van Cees Nooteboom – schreef Palmen voor het eerst écht iets: het korte verhaal ‘Afspraak’. Ze gaf het typoscript aan Joost Nijsen, de huidige uitgever van Podium, die destijds in de redactie van het literaire tijdschrift Optima zat, in de kantine van het Instituut voor Neerlandistiek.

‘Ik zei tegen Joost: ‘Hier is mijn verhaal. Ga maar even naar de wc om het te lezen. Ik wacht hier op wat je ervan vindt.’

‘Een paar minuten later kwam Joost terug en zei: ‘Ik vind het briljant.’ Precies het woord dat ik wilde horen.’

Maar het tweede korte verhaal dat ze schreef, ‘Als een weke krijger’, weigerde Nijsen voor Optima. Hij vond haar begeleidende brief leuker dan het verhaal zelf. De laatste zin van de brief luidde: ‘Als ik zo doorga, eindig ik op één zin.’

Het literaire tijdschrift De Held bleek ‘Als een weke krijger’ wel te willen plaatsen. Martin Bril las het en zei tegen zijn uitgever, Mai Spijkers van Prometheus: ‘Dat is een van de beste verhalen die ik ooit heb gelezen.’

‘Vanaf dat moment heeft Mai mij onvermoeibaar nagejaagd. Maar Cees Nooteboom had zijn uitgevers bij De Arbeiderspers, Theo Sontrop en Martin Ros, ook op mijn bestaan gewezen, dus ook zij lieten van zich horen. Ik had nog geen boek, wel een aantal uitgevers.’

Nadat ze in 1988 ook haar studie filosofie had afgerond, begon ze aan De wetten. In de roman staat: ‘Schrijven begint met het stoppen van iedere beweging, stil zitten, binnen blijven. Ik ging zitten en schreef dagen achtereen, wekenlang.’

‘Ik heb nog even in mijn aantekeningen uit die tijd zitten bladeren om te zien wat me bezighield. Voor de thematiek was de analyse van Goethes Faust belangrijk. Mefistofeles verschijnt aan Faust en zegt: in welke gedaante wilt ge me zien? Dat is de kernvraag van De wetten. Marie vraagt aan zeven mannen hoe ze haar zien. Aan de hand van de wetten en kennis die ze vertegenwoordigen, geven ze haar telkens een andere identiteit.

‘Voor de vorm had ik de wetten van de bildungsroman bestudeerd. Maar coming-of-ageromans gingen allemaal over mannen. Als een vrouw iets wil bereiken, verkoopt ze niet haar ziel maar eerder haar lichaam. Dat wilde ik anders doen. Marie Deniet gaat op zoek naar haar bestemming. Waar staat geschreven dat ik schrijver moet zijn? Wat is dit voor vreemd lot?

‘Verder speelde in elk hoofdstuk een driehoeksverhouding die gebaseerd was op de theorie van René Girard, de triangel van de begeerte. En het getal zeven natuurlijk: zeven jaar, zeven mannen, de zeven ‘consten’ uit Mariken van Nimwegen. Dat speelde allemaal een rol.’ Ze lacht. ‘Dat het boek er nog zo eenvoudig uitziet, is een wonder.’

U schrijft van idee naar verhaal, in plaats van andersom. En dat voor een van de meest autobiografische schrijvers van Nederland.

‘En toch werkt het zo. Nog steeds. Ik wil iets begrijpen wat ik complex vind in mijn leven. Zo begint het. Ik deed onderzoek naar mijn wording en het schrijven zelf in De wetten, naar vriendschap en verslaving in De vriendschap, naar de liefde in I.M. en naar de dood in Jij zegt het. Daarna volgt de zoektocht naar het verhaal. Het autobiografische schuilt in het denken.

‘Ik vind dat je met elk boek een opdracht aan jezelf moet stellen. Een opdracht die ik deel met Milan Kundera, Cees Nooteboom, Harry Mulisch en Philip Roth: met elke roman die je schrijft ook iets aan de roman zelf te veranderen. Ik speel altijd een spel met biografie en autobiografie. Hoe vertel je een verhaal over je leven? En waarom is het zo gevaarlijk als anderen over jou praten?’

U zou nooit meewerken aan uw eigen biografie?

‘Nee. Je leest weleens aantekeningen van schrijvers van toen ze 12 waren, waarin het genie al helemaal zichtbaar is. Nou, daar hoef je bij mij niet bang voor te zijn… Toen de coronacrisis uitbrak, dacht ik: ik moet opruimen. Straks ga ik dood en dan liggen hier alle liefdesbrieven die ik in mijn leven heb ontvangen. Dus die stapels heb ik weggegooid. Zelden word je zo bejubeld als je niet te hebben bent. Het leek me naar voor de afzenders om terug te kunnen zien in welke bochten ze zich hebben gewrongen.’

Heeft u zelf veel liefdesbrieven geschreven?

‘Niet dat ik weet. Wel afwijzingsbrieven. ‘Nee’ is mijn lievelingswoord, zoals je weet. Ja, ik ga wel met je naar bed. Nee, ik wil geen verhouding.

‘Vanaf het moment dat ik De wetten begon te schrijven, ben ik gestopt met het bijhouden van een dagboek. Sindsdien houd ik wel aantekeningen bij in kleine boekjes, die ik met Ischa in Amerika in stapels heb gekocht. Maar daar schrijf ik niet in: ging vanmiddag koffie drinken met die en die en wat heb ik toch een pesthekel aan hem.’

Heeft u De wetten sinds 1991 nog teruggelezen?

‘Eén keertje, toen ik het moest voorlezen voor de uitgave als luisterboek. Daarna nooit meer.’

Vindt u het genant om vroeg werk terug te lezen?

‘Helemaal niet. De acteur Titus Muizelaar las eens voor een volle zaal een scène uit De vriendschap voor. Er was één iemand die onder zijn stoel lag van het lachen. Dat was ik.’

null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

U heeft van De wetten nooit de sleutel vrijgegeven. Is dit, dertig jaar na dato, en met het virus dat rondwaart, niet het moment om dat te doen? Vertel: welke zeven mannen gaan schuil achter de astroloog, de epilepticus, de filosoof, de priester, de fysicus, de kunstenaar en de psychiater?

‘Je kent mijn standaardantwoord: dat je héél veel mannen gekend moet hebben om er zeven te beschrijven. Wellevendheid weerhoudt me ervan om namen te noemen.’ Ze hikt van het lachen. ‘De zeven mannen zijn vooral types. Neem de epilepticus: ik ken niemand die aan die ziekte lijdt. Ik heb hem voornamelijk gebaseerd op Dostojevski en Thomas Mann. De kennis van de fysicus heb ik van mijn broer Jos. Die vertelde mij vroeger de schitterendste verhalen over de wet van Newton en de grote veranderingen die door de kwantummechanica in gang werden gezet.’

Maar de fysicus gaat ook over fysiek contact.

‘De rest van het personage bestaat uit herinneringen aan verschillende minnaars. Alle echte mannen zijn gesneuveld en versnipperd. Ten prooi gevallen aan de wreedheid van de schrijver.’

Het lijkt er weleens op of u er genoegen in schept om verwarring te zaaien over het autobiografische gehalte van uw boeken.

‘Het autobiografische is een stijl. Marie Deniet is niet gebaseerd op een langbenige vriendin uit Groningen. Kit uit De vriendschap is evident gebaseerd op iemand met mijn persoonlijkheid, met mijn driestheid en verslavingszucht. Het autobiografische is ook een vorm van bescheidenheid. Degene over wie ik de meeste kennis heb, is de vrouwelijke hoofdpersoon. Haar drijfveren, tekortkomingen en verlangens zijn de mijne. Dat zal ik nooit ontkennen. Maar over alle andere figuren in mijn werk zal ik zo veel mogelijk liegen.’

Is het autobiografische ook een manier om u onkwetsbaar te maken?

‘Openbaren is de meest ideale manier van verhullen. Ga naar buiten, toon je – en je bent onkwetsbaar. Ik heb genoeg intimiteit in m’n leven om te weten dat het openbare leven verborgenheid is. Alleen in de liefde word je echt gekend.’

Zoals door Ischa, in 1991.

‘Mijn boek was af en ik had de man van wie ik zo veel hield dat ik er af en toe gek van werd. Je zou kunnen denken dat de wereld ineens groot wordt als je boek zo’n succes heeft. Maar ik dook de intimiteit in, zat in een cocon met Ischa. Hij was veel beroemder dan ik, dus ik dacht, als we samen op straat liepen: iedereen kijkt naar hem. Pas na Ischa’s dood merkte ik dat ik de roem alleen moest dragen. Ik was mijn bescherming kwijt. Gelukkig had ik het schrijven, waarin niemand bij me kon komen. Die cocon verdwijnt nooit.’

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus

Connie Palmen: De wetten. De veertigste druk van de roman is verschenen bij Prometheus. 240 pagina’s; € 22,50.

Meer over