Congo-humor: ‘Neger-blabla en kinshasa-grappen’

Humor is de rode draad van het festival voor de Afrikaanse film Africa in the Picture. Maar verwacht geen dijenkletsers....

Van onze medewerkster Floortje Smit

‘Die mevrouw hield ons voor de gek’, sputtert zijn zoon nog. Maar zijn vader wil er niets van weten. Een blanke welzijnswerkster raadde hem aan zijn weigerachtige ezel zelf naar de markt te dragen in plaats van andersom. ‘Ook al zijn die mensen raar, soms kunnen ze goede ideeën hebben’, leert hij zijn zoon.

Een priester, een ondernemer, welzijnswerkers: in de korte film Menged die te zien is tijdens filmfestival Africa in the Picture, denkt iedereen het beter te weten dan de doodgewone Afrikaanse man. Deze volgt de raad braaf op – met het gevolg dat hij een ezel op zijn nek draagt en mikpunt van spot wordt van andere plattelandbewoners. Een grappige film, en een krachtige parabel over het huidige Ethiopië.

Er valt wel degelijk te lachen om Afrika, blijkt tijdens de tiende editie van Africa in the Picture. Humor is dit jaar de rode draad. Een misleidende term misschien. Programmeur Ruth Louz geeft toe: wie dijenkletsers verwacht, komt bedrogen uit. ‘Het is vooral maatschappelijke satire, gemaakt door eigenzinnige makers. Door de lichtvoetigheid kunnen ze zich meer vrijheden permitteren, waardoor ze een nieuw perspectief bieden.’

Waar Menged – bekroond met de Kristallen Beer in Berlijn – nog omfloerst de grotere problemen van Ethiopië aankaart, zijn maatschappelijke taboes en onbegrip onomwonden het onderwerp van andere ‘grappige’ films. Die variëren van een toegankelijke romantische komedie over interraciaal ‘daten’ (I’m Through With White Girls) tot een steeds venijniger wordend pamflet over identiteit, kolonialisme en migratie (openingsfilm Juju Factory).

Clouds over Conakry pakt wel heel veel thema’s aan: de worsteling tussen traditie en moderniteit, het verschil tussen platteland en stad, de vermenging van politiek en religie. Voornaamste bron van spot is de hypocrisie. Een krantenman noemt zichzelf wel progressief, maar weigert in hetzelfde gesprek een ‘te controversiële’ cartoon; een imam lijkt oprecht verbaasd als hij erachter komt dat hij eigenlijk de wetten van de zuivere islam overtreedt door het beoefenen van de traditionele Afrikaanse religie. Door dit soort grijstinten te benadrukken, houdt regisseur Cheick Camara de Afrikaanse kijker een spiegel voor waardoor hij wordt gedwongen zijn eigen zwart-wit standpunten nog eens te onderzoeken. Tegelijkertijd toont Camara de westerse kijker dat zijn beeld van Afrika ook meer nuance verdient.

Dezelfde twee niveaus zitten in Juju Factory. Blanken hebben er een negatief of juist romantisch beeld van de Congolezen, maar Balufu Bakupa-Kanyinda laat zien dat de migranten zelf ook beperkt kunnen zijn in hun denken. Een Congolees-Belgische uitgever bijvoorbeeld. In zijn streven zo Belgisch mogelijk te zijn, noemt hij een mooi geschreven passage over het verlies van Congolese wortels ‘neger-blabla en Kinshasa-grappen’. Wie zit daar op te wachten?

Aan de andere kant van het spectrum – het drama – is ook alles minder zwart-wit dan het lijkt. In Ezra, winnaar van de ‘Afrikaanse Oscar’ tijdens het filmfestival Fespaco, moet een kindsoldaat zich verantwoorden voor een waarheidscommissie. Het voelt ongemakkelijk: wat hij gedaan heeft is gruwelijk, maar is hij ook geen slachtoffer? En is het écht beter om voor zo’n tribunaal oorlogsmisdaden op te rakelen dan gewoon te vergeven door te vergeten? Ezra werpt een Afrikaanse blik op de gecompliceerde situatie in Sierra Leone. De film mikt op een heel andere emotie, droefenis, maar ook hier wordt deze ingezet om grijstinten te tonen en kijkers aan te zetten verder dan hun eerste oordeel te denken.

Meer over