BoekenBijspijkercursus

Conceptuele kunst is voer voor iedereen die kunst elitair vindt. Maar wat is het precies? Met drie leestips

Er zijn van die onderwerpen waarvan je nauwelijks durft te zeggen dat je niet echt weet hoe het zit. Wat conceptuele kunst nou eigenlijk is bijvoorbeeld. Daarom deze zomer een bijspijkercursus, inclusief drie boeken om verder te lezen.

null Beeld Studio V
Beeld Studio V

Vraag een gemiddelde museumbezoeker – als die bestaat – wat hij of zij de meest ingewikkelde stroming in de beeldende kunst vindt en negen van de tien zullen zeggen: conceptuele kunst. Moeilijkdoenerij. Gebakken lucht. De kleren van de keizer. Onbegrijpelijke onzin.

Het is al sinds het ontstaan ervan, in de jaren zestig, een van de meest controversiële ontwikkelingen in de kunst. Voer voor iedereen die kunst elitair vindt. Die vindt dat de subsidies gestopt moeten worden. Musea dichtgespijkerd. Kunstenaars het zwijgen opgelegd.

Eerst maar eens over de term. Conceptuele kunst. Kunst dus waarin het concept centraal staat. Waarin het idee belangrijker is dan de uitvoering. Of zoals een van de belangrijkste vertolkers, de Amerikaan Lawrence Weiner, het in 1968 voorschreef: ‘1. The artist may construct the piece. 2. The piece may be fabricated. 3. The piece need not be built’.

Marcel Duchamp

Het gaat dus om werk waarvan het individuele handschrift van de uitvoerder, de persoonlijke inspiratie, het ‘gevoel’, ondergeschikt is aan het voorafgaande idee. Sterker, het hoeft niet eens uitgevoerd te worden. Een fraai voorbeeld is de rondgestuurde aankondiging van Jan Dibbets, dat hij op 9, 12 en 30 mei 1969 om drie uur ’s middags op een balkon in Amsterdam met een knipoog zijn duim zal opsteken. Grap? Serieus? De verbeelding prikkelend? Alledrie!

Vader van de conceptkunst is de Franse kunstenaar Marcel Duchamp (1887-1968). Hij bedacht in 1917, deels uit weerzin tegenover het serieuze imago van de Hoge Kunst, deels uit een weloverwogen analyse welke overwegingen iets tot kunst maakt, deels als practical joke, om een porseleinen urinoir als kunstwerk voor een tentoonstelling in New York in te sturen. Het werd geweigerd.

Ontegenzeggelijk was het Bedfordshire-urinoir niet gemaakt om ooit als kunstwerk door het leven te gaan. Maar Duchamp had het gesigneerd, gedateerd, op een sokkel gezet, in een galerie laten zien en wilde het door een kunstcriticus laten recenseren. Dus ja, dan moest het wel kunst zijn, toch? Niet?

Door de weigering van het New Yorkse ‘hanging committee’ was niet alleen een schandaal geboren, ook een kwestie. Inzet: kan elk alledaags voorwerp een kunstwerk worden? En: is alles waarvan een kunstenaar zegt dat het kunst is ook echt kunst?

Jaren zestig

De bloeiperiode van de conceptuele kunst, de jaren zestig, valt samen met andere initiatieven van kunstenaars die op zoek waren naar de basisingrediënten van de beeldende kunst. Schilders drukten verftubes op canvas uit, goten liters pigment over uitgerold linnen heen, trokken verfbanen met mathematische precisie naast elkaar, en dat alles zonder de intentie dat het op een portret of stilleven moest lijken. Beeldhouwers maakten sculpturen die niet meer op een sokkel stonden, maar waren uitgegraven in een woestijn of met rotsblokken in het water waren gelegd.

Een ander basisingrediënt, zo meenden velen, was het idee. Het concept. Op zichzelf een begrijpelijk uitgangspunt. Wie denkt dat Leonardo da Vinci zomaar wat aan het penselen was of dat Piet Mondriaan niet had nagedacht voordat hij zijn vlakjes inkleurde, vergist zich. Aan de meeste werken ligt een doorwrocht en strikt idee ten grondslag. Zelden wordt een kunstwerk uitgevoerd in een verdwaasd moment van onwetendheid.

Lastig wordt het als dat ‘concept’ los van de uitvoering ten tonele wordt gevoerd, als een zelfstandig uitgangspunt. Alsof het tekstbordje naast het werk even belangrijk is als het werk zelf. Diagrammen, foto’s, getypte aanwijzingen, muurteksten, gestencilde documenten, quotes uit een encyclopedie – begrijpelijk dat voor velen de vorm niet gelijk een aantrekkelijke is; enkel bedoeld om de hersenpan te overbelasten.

Lichtreclame

Neemt niet weg dat de verbeelding door conceptuele kunstwerken wel degelijk kan worden gemobiliseerd. Denk aan de lichtreclame van Jenny Holzer: Protect Me From What I Want. Of de aanwijzing van Lawrence Weiner: ‘Two minutes of spray paint directly on the floor’; dan zie je toch gelijk een plas verf voor je op de grond.

Persoonlijke favoriet is de Japans-Amerikaanse kunstenaar On Kawara die vanaf 1966 tot zijn dood in 2014 haast dagelijks, met witte verf, op een grijs, blauw of rood canvas de datum van die dag schilderde. Wie zo’n doekje weleens ergens aan de museumwand heeft zien hangen, zeker in een serie, gaat automatisch nadenken over het verstrijken van de tijd, of over wat hijzelf op die en die datum aan het doen was. En bovendien: de kleine schilderijtjes zijn, als een Japans lakdoosje, zo perfect geverfd en getypografeerd dat ze ook voor het oog een lust zijn om te bekijken – als een portret van Jan van Eyck of een bosje geschilde asperges van Adriaen Coorte.

Drie leestips over conceptuele kunst

Lucy R. Lippard: Six Years – The Dematerialization of the Art Object from 1966 to 1972. Bijbel van de conceptuele kunst. Geen theoretisch handboek, wel een historisch overzicht van (zowat) alle conceptuele projecten die in de hoogtijdagen werden ‘uitgevoerd’.

W.A.L. Beeren (samenstelling): Actie, werkelijkheid en fictie in de kunst van de jaren ’60 in Nederland. Veelal vermakelijk en breed overzicht van wat er aan ideeënkunst in Nederland is voortgebracht. Met naast conceptkunst ook uitgebreid aandacht voor Fluxus.

Alexander Alberro and Blake Stimson (samenstelling): Conceptual Art – A Critical Anthology. Bundel van teksten over conceptuele kunst, geschreven door zoveel kunstenaars, critici en historici dat er altijd wel een leesbaar verhaal tussen zit.

Meer over