Come on and hear!

Hij schreef 35 nummereenhits en 282 toptiennoteringen en werd met zijn even geniale als simpele liedjes het symbool van de American Dream....

door Erik van den Berg

OP vrijdagavond 10 mei 1988 verzamelt zich een merkwaardig gezelschap op de stoep voor Beekman Place, een chic adres in de New Yorkse Upper East Side. Mannen en vrouwen in uitgaanstenue, buurtbewoners op pantoffels, een verdwaalde bag lady, kinderen en nieuwsgierige passanten staan eensgezind omhoog te turen naar de gevel van nummer 17, op zoek naar een teken van leven achter de streng gesloten gordijnen.

Op de bovenste etage blijft het donker. Alleen hier en daar kiert een streepje licht, dat verraadt dat er iemand thuis is. Om klokslag twaalf verbreken de wachtenden de stilte: ze heffen een luid Happy Birthday aan, de ogen hoopvol op een half geopend raam gericht. 'Hij komt eraan', roept plotseling een stem van boven, als het lied uit is. En na enig wachten: 'Sorry, hij vindt het te koud. Maar hij bedankt jullie allemaal hartelijk.'

Irving Berlin vierde het eerste uur van zijn honderdste verjaardag in stijl: onzichtbaar, eenkennig en wars van gedoe, maar te hoffelijk om zijn bewonderaars toch niet even te groeten, al was het maar via een bediende.

Amerika's grootste liedjesschrijver en -componist sleet de laatste decennia van zijn lange leven in eenzaamheid, als een welgestelde kluizenaar. De weinige buitenstaanders die hij soms nog telefonisch te woord stond, troffen een korzelige man, die alle vragen over zijn werk maar onzin vond en zich zeker niet als een kunstenaar afgeschilderd wilde zien. 'Ik schreef liedjes om het publiek een plezier te doen' - meer uitleg leek hem overbodig.

Dat Berlin zich de volgende avond niet vertoonde op zijn eigen eeuwfeest in Carnegie Hall, een gala met kopstukken als Frank Sinatra, Leonard Bernstein, Ray Charles, Shirley MacLaine en Willie Nelson, was niet echt een verrassing. Zelfs het aanbod van een privé-geluidsverbinding van de feestzaal naar zijn woonkamer had de jarige afgewimpeld. Berlin vond dat hij genoeg in de bloemen was gezet. Zijn laatste grootscheepse jubileum was in 1968, bij zijn tachtigste verjaardag. Door achtduizend padvinders had hij zich toen in Central Park laten toezingen.

Haast een halve eeuw lang regeerde Berlin over Broadway, dankzij een imposante stroom elegante, droeve en dartele liedjes die in 1911 inzette met het nog altijd gespeelde Alexander's Ragtime Band en pas in de jaren zestig begon op te drogen. De meeste titels uit het klassieke song-repertoire ontstonden uit beproefde combinaties van tekstdichters en componisten, die optraden onder Van Gend & Loos-achtige firmanamen als Rodgers & Hart. Maar Berlin schreef alles zelf, woorden en muziek - een dubbel kunststuk waarin alleen de geslepen Cole Porter hem evenaarde.

Vakgenoten bewonderden zijn liedjes om hun ogenschijnlijke eenvoud, een geheimzinnige kwaliteit die keer op keer de 'gewone' Amerikaan in zijn ziel wist te raken en die de muziekuitgeverij Irving Berlin Music het onwaarschijnlijke aantal van 35 nummereenhits en 282 toptiennoteringen opleverde.

In muzikaal opzicht was Berlin aanzienlijk minder onderlegd dan Cole Porter, Richard Rodgers of George Gershwin. In zijn werkruimte pronkte in latere jaren een Steinway, maar omdat hij maar één toonladder machtig was (Fis majeur, op de zwarte toetsen), bleef hij aangewezen op een transponerend klavier, een door 'echte' componisten vast met lichte huiver bekeken hulpstuk, dat zijn gepingel via een mechaniek naar andere toonsoorten kon overzetten.

Notenlezen kon hij evenmin, en toch bracht Berlin meer tijdloze songs op zijn naam dan zijn beter geschoolde jongere collega's (die hij stuk voor stuk zou overleven). White Christmas, There's No Business Like Show Business, God Bless America werden niet zomaar hits, ze groeiden uit tot nationaal bezit - even Amerikaans als het Vrijheidsbeeld, de Grand Canyon en andere iconen van the land of the free.

Berlin vertegenwoordigt het beste van Broadway, maar tegelijkertijd stond hij een beetje terzijde. Hij was geen erudiete woordkunstenaar, zoals Lorenz Hart of Ira Gershwin, die excelleerden in briljante rijmschema's en bitterzoete cartoons van vermoeide minnaars in het bleke ochtendlicht. Hij miste ook de aristocratische zwier van Cole Porter, die de glamour en glitter van de high society in vileine verzen liet schitteren.

'Easy to sing, easy to say, easy to remember and applicable to everyday events is a good rule for a phrase', zo formuleerde Berlin zelf zijn ideaal: in gewone woorden, op een aansprekende manier over alledaagse dingen zingen. Zijn kracht is de combinatie van het goed gekozen woord en de rake melodie, een directheid die je pakt voor je er erg in hebt - waar nodig geholpen door een sluwe valstrik in de harmonie of een ritmische trouvaille in de tekst: syncopated rhythm! let's be goin' with' em!

Van virtuoos vertoon hield Berlin niet - hij is de man die muziek maakt uit alledaagse spreektaal; zie Say It Isn't So, Let's Have a Cup of Coffee, Better Luck Next Time, How About Me, I Never Had a Chance en nog een dozijn andere songtitels, die uit een willekeurige conversatie lijken geplukt. Je hoort er het accent van Manhattan in, het onsentimentele vocabulaire van een wereldstad waarin met een nieuwe eeuw ook een nieuw tijdperk is aangebroken.

'Het oude ritme heeft afgedaan', zei de tekstdichter in 1924 tegen de New York Times, 'en in zijn plaats horen we brommende motoren, zoevende wielen en een knallende uitlaat. De luie liedjes die mensen neurieden op het ritme van klepperende paardenhoeven passen niet meer. The new age demands new music for new action.'

Hier sprak een trotse bewoner van de Nieuwe Wereld, een man die niet twijfelt aan de mogelijkheden van de Amerikaanse droom, omdat hij hem zelf heeft meegemaakt. Want ook in zijn biografie is Berlin de meest Amerikaanse van alle Amerikaanse songschrijvers. Hij komt in 1888 ter wereld als Israel Beilin in Tyumen, West-Siberië, waar zijn vader cantor is in de plaatselijke synagoge. Tijdens de pogroms onder tsaar Alexander III steken kozakken het ouderlijk huis in brand, een jeugdherinnering die hem een leven lang zal bijblijven.

Het gezin met acht kinderen vlucht in 1893 via Lemberg en Berlijn naar Antwerpen. Met het passagiersschip Rhynland komen de landverhuizers aan in New York City, waar de familie als talloze immigranten voor hen een onderkomen vindt in de Lower East Side, de armoedige achterbuurt (erger dan de sloppen van Bombay, volgens Rudyard Kipling) waar straatarme Duitsers, Chinezen, Italianen, Russen en joden dicht opeengepakt met elkaar moeten zien te overleven.

In deze hogedrukpan van botsende talen en culturen verandert de vijfjarige cantorzoon Israel al snel in het straatvechtertje Izzy Baline, dat als gehaaide krantenverkoper zijn eerste stappen op weg naar de roem zet. Op zijn zestiende werkt hij als zingende ober in China Town, in het tijdperk van voor de jukebox geen onalledaags betrekking. Hij heeft een hoge, wat hese stem, maar zijn vertolkingen van de hits van de dag vallen in de smaak. Dat hij muzikaal begaafd is, blijkt eens temeer als hij in 1907 zijn eerste liedje publiceert: Mary from Sunny Italy. De uitgever verhaspelt zijn naam tot Berlin en Izzy besluit dat die nieuwe achternaam hem wel bevalt.

Vrienden uit de beginjaren herinneren hem zich later als klein en kwikzilverachtig, met 'de spieren van een windhond' en een 'wilde, anarchistische blik' in zijn ogen. Hij oogst applaus met door het gesprek van de dag geïnspireerde liedjes, zoals Dorando, een komisch nummer over de gelijknamige Italiaanse atleet die in 1908 de olympische marathon van Londen verliest omdat overenthousiaste landgenoten hem over de finish helpen.

Maar Berlins genie openbaart zich pas goed als hij in 1911 een pakkend liedje schrijft over de nieuwe dansrage, de ragtime. Van Alexander's Ragtime Band worden binnen een jaar acht miljoen exemplaren verkocht. De 21-jarige componist is van de ene dag op de andere miljonair. In Alexander's Ragtime Band spoort een opgewonden zanger zijn liefje aan op te schieten: Alexander is weer in de stad met zijn ragtime-band: Come on and hear! Come on and hear!

Niet ten onrechte is de betekenis van Berlins lied vergeleken met die van Bill Haley's Rock Around the Clock: een nieuwe generatie ontdekt zijn eigen muziek en geeft de sentimentele liedjes van pa en ma een brutale schop onder de kont.

Het succes laat hem vanaf nu niet meer in de steek. In 1912 volgt zijn tweede hit, When I Lost You, twee jaar later schrijft hij de 'ragtime opera' Watch Your Step, en als hij besluit toch maar muzieklessen te nemen, geeft hij er al gauw weer de brui aan. 'Doordat ik de regels niet ken, overtreed ik ze vaak', zegt hij in 1915, 'met als resultaat dat ik de dingen een originele draai geef.' Dertig jaar later, als hij ook in Hollywood een gevierd componist is, is hij nog steeds overtuigd van zijn gelijk. 'Doordat ik alles in Fis componeer, kom ik op harmonieën die andere componisten ontgaan, omdat ze meer verstand hebben van muziek.'

Als Amerika in 1917 betrokken raakt in de Eerste Wereldoorlog en ook Berlin voor het leger wordt opgeroepen, is zijn naam al zo'n begrip, dat de krantenkoppen zich de grap 'US Army takes Berlin!' permitteren. In dienst demonstreert Berlin meteen zijn werklust. Zijn voorstel om met een musical 'door en voor soldaten' het moreel op te vijzelen, valt in goede aarde. Prijsnummer van de 'all soldier'-revue Yip! Yip! Yaphank is het komische Oh! How I Hate to Get Up in the Morning, waarin Berlin verwoordt wat elke soldaat denkt als hij om vijf uur op moet. Het vaderslandslievende God Bless America schrapt hij op het laatste moment uit de show.

Pas twintig jaar later haalt Berlin het weer uit de kast. Geïnspireerd door de Kristallnacht in Duitsland en de dreigende taal van Hitler zingt Kate Smith God Bless America voor de radio. Het is 11 november, de dag waarop de VS het einde van de Eerste Wereldoorlog herdenken, en Berlins lied blijkt precies wat Amerika wil horen: een lofzang op de beste natie van de wereld, een baken van licht in een duistere tijd.

Aan de kwezelachtige tekst is niet veel eer te behalen, maar dat Berlin zich als tekstschrijver wel degelijk bleef ontwikkelen, demonstreerde hij in het onnavolgbare Puttin' on the Ritz, dat hij schreef voor de gelijknamige Hollywood-film met Harry Richman. In Puttin' on the Ritz licht Berlin met speelse elegantie de taal uit zijn voegen en laat hij de woorden op een nieuw, syncopisch ritme dansen:

come lets mix

where Rock-e-fell-

ers walk with sticks

or um-ber-el-

las in their mitts,

put-tin' on the ritz!

In zijn studie The Poets of Tin Pan Alley vergelijkt Philip Furia Puttin' on the Ritz met het werk van de dichteres Gertrude Stein: beiden breken de normale zinsbouw in stukken en voegen hem weer samen in een wringende, kubistische compositie. Berlin had die vergelijking ongetwijfeld veel te pretentieus gevonden. Als hij al over de ambachtelijke kanten van zijn werk sprak, dan deed hij dat zo nuchter mogelijk.

Tegen Billboard zei hij: 'Ik schrijf geen kerkgezangen in mijn vrije tijd, ik heb niets met bloemen en Shakespeare heb ik nooit in de originele Griekse versie gelezen.' Inspiratie zei hem niets, zijn motto was 'Work and work and then WORK'. Ook in een andere veel geciteerde uitspraak hoor je iets terug van de kleine Izzy Baline uit de Lower East Side, die er thuis krijgt ingehamerd dat je met dromen niets verdient: 'Writing songs is a matter of having to pay bills and sitting down to make money to pay them with.'

Het succes kwam Berlin nooit aanwaaien. Hij tobde zich af, leed aan chronische slapeloosheid ('en áls ik al slaap, droom ik dat ik wakker lig') en in zijn herhaaldelijk terugkerende depressies vreesde hij dat hij tot niets meer in staat was. Met de musical Annie Get Your Gun leverde de bijna zestigjarige componist tot zijn eigen opluchting het bewijs dat hij nog meetelde. Geen andere musical heeft zoveel klassiekers opgeleverd: van het kibbellied Anything You Can Do (I Can Do Better) tot There is No Business Like Show Business, dat uitgroeide tot de herkenningsmelodie van het hele genre.

Het op feiten gebaseerde verhaal van Annie Oakley, de ongelikte vrouwelijke scherpschutter in Buffalo Bill's Wild West Show, blijft een van de aanstekelijkste musicals die Broadway heeft opgeleverd. Vorig jaar ging in New York een nieuwe Broadway-productie van Annie in première, die was bedoeld als eerbetoon aan de meester, maar in plaats daarvan een onvermoede discussie over vermeende vooroordelen in zijn werk opleverde.

In The New Yorker poneerde de theatercriticus John Lahr de stelling dat Annie gebukt gaat onder 'adembenemend racisme in de uitbeelding van Native Americans'. Die kritiek slaat op het komische I'm an Indian Too, dat de hoofdrolspeelster aanheft als ze door opperhoofd Sitting Bull wordt uitgenodigd toe te treden tot zijn stam. Op een quasi-Indiaanse melodie zingt ze:

Just like Battle Ax, Hatchet Face, Eagle Nose/ Like those Indians, I'm an Indian too/ A Sioux-ooh-ooh!

In een openbare discussie verdedigde de librettist Peter Stone zijn besluit het 'kwetsende' lied uit de show te schrappen en Sitting Bull en de andere toneelindianen een meer waardige rol te geven. Een en ander om het script van een 'kwalijke stank' te bevrijden, zoals Lahr het in alle ernst formuleerde. Berlin-bewonderaars die tegen deze politiek correcte ingreep protesteerden, vroeg Stone of ze het óók grappig zouden vinden als iemand op het toneel 'I'm a Hebrew too, a Jew-ooo-ooo' zou zingen. Zo werd Broadway verblijd met een gekuiste Annie, die nog wel scherp schiet, maar niemand meer beledigt.

De eeuw van Irving Berlin, de man die muziek maakte van wat Amerika voelde en dacht, is inderdaad voorbij.

Meer over