Coffin fotografeert een lacune in de tijd

National Portrait Gallery, Londen: Clifford Coffin. The Varnished Truth. Tot en met 27 september...

Robin Muir: Clifford Coffin. Photographs from Vogue 1945 to 1955. Art Data, 35 pond.

De National Portrait Gallery in Londen is veel meer dan een collectie Britse koppen en hoofden - door het expositiebeleid van de afgelopen jaren is het instituut vooral een soort onofficieel Museum van het Gezicht aan het worden. Het eigenaardige is dat er nergens op de wereld zo'n museum bestaat, zodat de NPG op een wat improviserende manier in een lacune lijkt te moeten voorzien.

De jongste lacune betreft het werk van de Amerikaanse fotograaf Clifford Coffin, onderwerp van de bescheiden, maar fascinerende tentoonstelling The Varnished Truth. Geverniste waarheid, dat lijkt een wat uit de hand gelopen titel, maar als men zich realiseert in welke tijd Coffins foto's gemaakt zijn, dan valt er veel door de vingers te zien. Het is de tijd waarin Europa in puin ligt en Christian Dior (in 1947) de New Look introduceert.

In die periode was Coffin bij het Engelse maandblad Vogue in dienst als modefotograaf. De modefotografie is altijd een wat stiefmoederlijk bedeelde subcategorie van de fotogeschiedenis geweest, en de figuur van Coffin was jarenlang alleen een naam op de achtergrond. Een naam die werd overschaduwd door modefotografen die om wat voor reden dan ook een stuk bekender zijn gebleven: Man Ray, Cecil Beaton, George Platt Lynes, Erwin Blumenfeld, Irving Penn.

Toen eind vorig jaar het Metropolitan Museum in New York een tentoonstelling over de New Look inrichtte - jammer dat die niet naar Europa is gehaald - werd in de catalogus opgemerkt dat Dior niet alleen een eind aan het armoedige modebeeld van de oorlog had gemaakt, maar strikt genomen aan dat van een veel langere periode van verval, die al omstreeks 1850 was begonnen. Parallel hieraan lijkt er iets voor te zeggen dat ook de modefotografie pas na de Tweede Wereldoorlog een niveau van onafhankelijkheid heeft bereikt dat daarvoor bijna onbestaanbaar was.

De modefotografie van voor 1939, met name die van Man Ray, heeft veelal iets onwezenlijks: half tegen het surrealisme aanliggend is het of een kwestie van overdreven stilering of een soort esthetisch gedokter met de vorm, waaraan de inhoud secundair lijkt te moeten zijn. Na de oorlog is dat surrealisme niet meteen weg, het keert bijvoorbeeld terug in de foto's van Erwin Blumenfeld. Alleen een enkele fotograaf slaagt erin een expressievorm te bereiken die volledig recht doet aan het onderwerp.

Van die laatste categorie is Clifford Coffin een markant voorbeeld geweest. Zonder nadrukkelijk alle details van een ontwerp te willen laten zien, zonder nodeloos te abstraheren, en zonder zijn modellen in een al te anekdotische context te plaatsen, slaagde hij erin een allure te bereiken die evenredig was aan het door de ontwerpers beoogde resultaat. Achteraf gezien hebben Coffins foto's niet alleen de daarmee samenhangende esthetiek bewaard, maar ook het tijdsbeeld waarin die esthetiek zo plotseling wist door te breken.

Op een aantal foto's is dat laatste letterlijk te zien. Als Coffin omstreeks 1947 naar Parijs afreist zijn het nog de beschadigde stadsdecors die als meest sprekende achtergrond dienen: een achtergrond die er is voor het contrast. In haar gecompliceerde toilet staat het model Wenda Rogerson in een Beaux-Arts-trappenhuis waar nog kort ervoor een bom moet zijn ontploft.

Maar het zijn ook de intact gebleven binnenruimtes met Empire-meubilair, die hele sfeer van verlangen en nostalgie die op dat ogenblik hersteld lijkt te kunnen worden, die hij fotografeert. Het mooist is misschien die foto van dat model met haar queue-de-Paris, en profil gefotografeerd, terwijl op de achtergrond in het diffuse licht van het jaar 1948 een straatveger de terugkeer naar een soort voorlopige normaliteit symboliseert. Meer ook niet, want meer zou al snel te veel zijn geweest.

Drie jaar daarna zijn de zichtbare herinneringen aan de oorlog verdwenen, en is althans voor het oog een nieuw stadium in de geschiedenis aangebroken. Het is ook op dat moment dat de esthetiek van het modetijdschrift Coffins werk gaat beheersen: de afstand tot het object wordt ingekrompen, de modellen veranderen in abstracties of in portretten, de omgeving verdwijnt (of verandert in een handtas). Vanaf dat moment lijkt het ook alsof er voor Coffin minder eer valt te behalen: zijn vakmanschap valt meer en meer samen met het vermogen een soort fotografisch perfectionisme uit te drukken. De waarheid is minder essentieel dan het vernis waarachter zij verborgen gaat.

Des te interessanter is daarom het tweede deel van de tentoonstelling, waarin de portretfoto's zijn verzameld die Coffin voor Vogue maakte, zodra hij zich van de modefotografie kon distantiëren. Het zijn de gezichten van schrijvers en acteurs, van hele en halve beroemdheden, deels vergane glorie, deels de generatie die druk bezig was de eerste na-oorlogse generatie te worden: Gore Vidal, Arthur Miller, Alberto Moravia, Truman Capote, Celia Johnson, Paulette Goddard.

Het eigenaardige is dat je die gezichten kent, maar alleen van latere foto's. Het hoofd van Gore Vidal was nog niet in die gecoiffeerde luchtballon veranderd, Truman Capote bezat nog niet die verlopen alcoholische bakkes en had alleen nog Other Voices, Other Rooms geschreven, Arthur Miller was nog niet overdekt met craquelé, en Christian Dior zelf (hier gefotografeerd in 1947) had nog de glazige gezichtsuitdrukking van een hoteleigenaar in een film van Jacques Tati. De wereld was bezig te veranderen, maar nog bijna niemand had de moeite genomen dat proces te bestuderen. Van het gezichtenmuseum van de tweede helft van de eeuw waren zelfs de eerste zalen nog niet ingericht.

Tot 1955 is Clifford Coffin voor Vogue blijven werken. Daarna was de kwaliteit van de ruzies met de redactie dermate gegroeid dat geen van de partijen nog aardigheid had in verdere samenwerking. Coffin keerde terug naar New York, waar in 1965 door onbekenden brand werd gesticht in zijn archief. Volledig vergeten stierf hij in 1972 aan keelkanker, 58 jaar oud.

Het materiaal waaruit de expositie in de National Portrait Gallery is samengesteld, is door stom toeval in de Vogue-archieven teruggevonden. Het is de mooiste metafoor voor wat er aan de oppervlakte komt wanneer je een gat slaat in de tijd.

Melchior de Wolff

Meer over