Codes, taboes en illusies in kleur

Aan het begin van de 17de eeuw ontdekte de Hollandse alchimist en uitvinder Cornelis Drebbel, die naar Engeland was verhuisd, iets opzienbarends....

Paul Depondt

De donkere vloeistof werd tot Drebbels verbazing meteen helder scharlakenrood. Iets van het tin van het raamkozijn was in het zuur opgelost en had de spectaculaire kleurverandering veroorzaakt. Drebbel, een kleurrijk uitvinderstype dat door zijn tijdgenoten voor 'tovenaar' en 'magiër' werd uitgemaakt, ging met het tin, het zuur en de cochenille experimenteren. Het rood werd nog helderder, een scharlaken kleur zo fel als niemand ooit eerder had gezien.

Duizenden jaren, schrijft Amy Butler Greenfield in Het volmaakte rood - Macht, spionage en de zoektocht naar de kleur van passie, lukte het stoffenververs en kunstenaars maar niet 'om het vlammende scharlaken- of diepe karmijnrood te bereiken dat ze in de natuur zagen'. Het beste rood was oker, later vermiljoen, maar krachtig en fel rood vonden ze pas nadat de Spaanse conquistadores de cochenille hadden ontdekt die de Mexicaanse Azteken op hun markten verkochten.

Rood was zeldzaam en kostbaar, het was de meest begeerde kleur, 'een volmaakt vermiljoen', uitdrukking van macht, passie en vurigheid. Rood werd met purper geassocieerd, de verfstof van de keizerlijke kleermakers uit de antieke tijd, die gemaakt was van de purperslak. Toen 'het blauw van de barbaren', in de ogen van het oude Rome, dat felle rood verdrong, werd het de kleur van het overspel, het seksueel genot en van het obscure red light district. Volgens de Britse Victorianen droegen alleen prostituees karmozijnen jurken.

Al zien we de wereld in een caleidoscoop van misschien wel een miljoen kleurentinten, de kleur die ons wellicht het meest aanspreekt, is rood. Je kunt het betwijfelen, maar die affiniteit lijkt ons te zijn ingebakken. In haar boek speurt Greenfield naar de herkomst van de cochenille, naar de vaak erg bloederige strijd die er onder stoffenververs om is gestreden en vooral naar de wisselende betekenissen die aan die legendarische en hartstochtelijke kleur zijn gegeven.

Kleur intrigeert. Waarom was rood ooit zo populair in hogere kringen en is het blauw nu een heraldieke kleur voor organisaties als de Verenigde Naties, de EU, de Unesco en de Raad van Europa? Rood was vroeger duur, blauw was een barbaarse kleur. Soms zijn er economische redenen. Drebbel meende nog dat hij met zijn alchimistische proefnemingen alle rijkdom kon vergaren; hij begon een ververij, maar rijk is hij nooit geworden. Rood werd in de 19de eeuw de kleur van socialisten en communisten, niet langer meer dat scharlakenrood van de kerk of de adel, maar kleur van strijd, offers en revolutie. Kleuren schrijven, om een heel andere reden, geschiedenis.

Het is daarom verbijsterend dat pas sinds een kwarteeuw historici, ook in de kunstgeschiedenis, zich in kleur zijn gaan verdiepen. Sinds enkele jaren zijn ook opvallend veel historische romans over kleuren geschreven. In de geschiedenis heb je altijd een strijd gehad tussen 'chromofielen', die van schittering houden, en 'chromofoben', die alles wat blinkt verafschuwen; tussen edelen in hun opzichtige kostuums en het volk in grauwe lompen, tussen katholieken en hun Rubens en protestanten en hun Rembrandt, tussen de donkerte in de kloosters van Bernardus van Clervaux en de glansrijke en lumineuze gotiek van de verlichte abbé Suger.

We kunnen ons maar met moeite voorstellen dat die schitterende en gepolijste marmeren beelden uit de oudheid ooit uitbundig en bont beschilderd waren. De beelden van de Atheense Akropolis waren kitscherig gekleurde sculpturen, in een heel ander koloriet dan het door kunsthistorici bezongen Griekse witte marmer. Uit onderzoek naar schilfers van de verloren gegane kleuren blijkt dat de klassieke oudheid veel kleuriger was dan lange tijd werd aangenomen.

Kleuren van schilderijen of beelden hebben een totaal andere uitstraling als je ze ziet in het licht van flakkerende kaarsen, olielampen of kunstlicht. Gedurende vele decennia bestudeerden kunsthistorici zulke kunstvoorwerpen door middel van reproducties in zwartwit. Kenners schrijven geleerde boeken over de schilderkunst, zegt de Franse historicus en wereldvermaard 'kleurenantropoloog' Michel Pastoureau, zonder ooit het woord 'kleuren' uit te spreken.

Kleur verkleurt en heeft een geschiedenis. Het is niet alleen de natuur die de kleur maakt, en nog minder de wetenschap of de techniek; het is de samenleving die kleuren interpreteert. Alles in het domein van de kleuren is altijd cultureel, door de tijd of door de mentaliteit bepaald. Ze zijn de vehikels van codes, taboes, vooroordelen en illusies.

Het is bevreemdend, maar straten, stegen en pleinen uit onze jeugdjaren zijn vaak grijs, soms ook troosteloos, zelden kleurrijk. Dat komt door de fotografie waarmee die herinneringen zijn vastgelegd. We weten niet meer precies hoe de omgeving er in die tijd uitzag. Het is alsof we in ons geheugen het beeld van de stad of het dorp waar we opgroeiden, in grijze tinten, oker of zwartwit hebben opgeslagen. De kleuren zijn vervaagd, ze zijn ook stoffig en donker geworden, het patina van de tijd heeft ze op onze familiekiekjes uitgewist.

We schrikken als we plots zeldzame kleurenopnamen onder ogen krijgen van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, of vergeelde kleurenfoto's bekijken in het familiealbum uit de jaren vijftig of zestig van de vorige eeuw. De kleuren zijn onecht, ze zijn verdoezeld en hebben zich in de loop der jaren als het ware vermengd; het rood is niet meer helder, het oorspronkelijke groen is vaalbruin, en toch lijkt het alsof we op die foto's het kleurenpalet van die tijd herkennen.

Ogen zijn gebrekkig, goed kleuren zien is maar heel betrekkelijk. In De gekleurde stad, een kleine redevoering die K. Schippers vorig jaar in Dordrecht hield, vroeg hij zich af 'welke rol de kleur speelt als je gewoon op straat loopt'. Hoe kom je in een grijze stad nog dichter bij de kleur? Hij vindt in de Wijnstraat een rood potlood, pakt het op, en al schrijvend worden de Dordtse huizen ingekleurd: Havengroen, Pakhuisgroen, Zeepaert Grijs en Kadeblauw. Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles gekleurd is.

Maar kleuren liegen en misleiden. Ze zijn onderhevig aan modes: ze komen, verdwijnen en komen weer terug in onvoorspelbare cycli. Er bestaat zelfs een tijdschrift over dat verschijnsel, View on Color. Consumenten worden bedrogen, want door halogeenlicht wordt als in een goocheltruc een in een modezaak gekochte grijze trui plotsklaps groen.

Het blauw of het groen op oude schilderijen verbleekt; wat ooit een vrolijk lichtgrijs wolkenspel was, wordt donker. De beroemde Joseph Mallord William Turner schilderde zijn zonsondergangen met een weinig duurzaam karmijnrood pigment dat al snel verschilferde en craquelures ging vertonen, waardoor we nu ietsheel anders te zien krijgen dan in Turners tijd.

Niet alleen het pigment bepaalt de manier waarop we kleuren interpreteren, ook de 'verkleuring'. De naam van de kleur is ook kleur. We zijn gevangenen van de taal. Zelfs als we schilders zijn, lijkt de benoemde kleur belangrijker dan de waargenomen kleur.

In het recente dubbelnummer van Raster, dat helemaal is gewijd aan dit ongrijpbare zintuiglijke fenomeen, staan een paar lijstjes van 'benoemde kleuren': wit wegtrekken, witwassen, zwart geld, grijze zone, het rode gevaar, de rode draad, je groen en geel ergeren, meer blauw op straat.

Al die uitdrukkingen verwijzen naar de geschiedenis van de kleuren, naar het blauw van vertrouwen, het rood van de morele dreiging, het geel van de uitsluiting, het groen van het bedrog, naar de hele reutemeteut aan betekenissen die in de loop der eeuwen aan kleuren zijn gegeven, waardoor sommige kleuren geïnfecteerd zijn, verkleurd zoals de cochenille in dat bakje van Cornelis Drebbel.

Paul Depondt

Meer over