Chopin slachtoffer van een 'helse liefde' BIOGRAFISCHE STUDIE VAN BASTET PAKT ONGUNSTIG UIT VOOR GEORGE SAND

ZIJN EERSTE INDRUK van haar was niet gunstig. 'Wat een antipathieke vrouw is die Sand! Is het wel echt een vrouw?', moet Frédéric Chopin uitgeroepen hebben tegen een vriend, Ferdinand Hiller, nadat hij in 1836 bij Franz Liszt kennis had gemaakt met de excentrieke jonge schrijfster, die zich tooide met...

'George' rookte sigaren, hulde zich in merkwaardige broeken en wambuizen, en hield er onder het oog van haar echtgenoot tal van minnaars op na, die ze na kort gebruik weer afdankte. Ze was te vinden op elk feestje waar aanstormende jonge kunstenaars samenschoolden, zoals de schilder Delacroix, de virtuoze klavierleeuw Liszt en diens maîtresse Marie d'Agoult. Zij bestierde in haar eentje een kasteel met landgoed in de Berry, trok haar neus op voor het dodelijk saaie babbelmilieu van de adel, en hield er socialistische ideeën op na. En: al voor haar twintigste publiceerde ze spraakmakende romans. Woest romantische geschiedenissen als Indiana en Lélia, die een 'sensatie' waren in artistiek Parijs, schandaalsuccessen weliswaar, wegens het vrijmoedige erotische karakter, maar successen! George Sand, kortom, was een nymfomane, een blaaskaak en een streber, maar wel een aantrekkelijke. Anders gezegd: zij gedroeg zich als een man.

Niettemin: twee jaar na zijn eerste ontmoeting met de vrouw met het 'antipathieke gezicht' zou de conservatieve, zachtaardige Chopin de minnaar zijn van deze zes jaar oudere excentriekeling. Hun verhouding zou bijna tien jaar duren, de langste in hun beider leven, en zou jarenlang zeer gelukkig zijn. Tot er in het voorjaar van 1847, na een reeks onverkwikkelijke gebeurtenissen, een abrupt eind aan kwam. Anderhalf jaar later, in oktober 1849 zou Frédéric Chopin, nog geen veertig jaar oud, sterven aan de tering.

In de gelukkige dagen van hun liefde componeerde Chopin op Nohant, George's landgoed waar het paar lange zomers verbleef, het merendeel van zijn schitterende oeuvre, en schreef zij tientallen romans. George voedde er haar twee kinderen op en omgaf de altijd zieke, vermoeide en zwakke componist met haar moederlijke zorgen. Chopin zou sterven in bittere herinnering aan de vrouw die hem 'een ondankbaar kadaver' had genoemd. Sand zou 72 worden, op haar kasteel, verbitterd over het onbegrip van de wereld.

Er is in anderhalve eeuw heel wat afgeschreven over deze twee kunstenaars, de één een onomstreden genie met nobele inborst, de ander een serpent, een tirannieke egoïst en een derderangs romanbakster die grote kunstenaars van het scheppen afhield. Maar ook, in de ogen van enkelen: een wonderlijk moderne vrouw, een vrijdenker, een feministe en een schrijfster die zich kan meten met de groten van haar tijd, zoals Stendhal, Balzac en Hugo.

Frédéric Bastet, klassiek archeoloog en als schrijver vooral bekend geworden door zijn prachtige biografie van Louis Couperus, voegt daar nu een kolossale 'biografische studie' aan toe, onder de veelzeggende titel Helse liefde. Hij schoof daarbij, na kennisname, de immense stapel biografische geschriften terzijde en baseerde zich op de oorspronkelijke bronnen: brieven, dagboeken, memoires, essays en recensies van tijdgenoten. Het geciteerde materiaal vertaalde hij zelf in het Nederlands. Een uiterst gedegen en zorgvuldige aanpak, die uitsloot dat er allerhande oudbakken en verdraaide anekdotes in het boek terecht zouden komen.

De vorm wijkt ook af van alle eerder verschenen studies. Bastet schreef een 'vierstemmige fuga' waarin behalve de levens van Chopin en Sand tot aan 1850, ook die van het andere, met hen bevriende kunstenaarspaar Liszt-d'Agoult een melodielijn vormen, zij het dat Liszt en d'Agoult in de laatste tweehonderd pagina's geen rol meer spelen. Na 1839 hebben die twee vrienden uit hun jeugd voor de hoofdrolspelers in dit boek afgedaan: Chopin gruwde van Liszt' overdonderende pianospel en zijn drang om te schitteren op de pompeuze internationale podia; de twee vriendinnen George en Marie hadden elkaar in geschrifte vakkundig afgemaakt en Liszt had zijn geëxalteerde minnares, blok aan zijn ambitieuze been, aan de kant gezet. De 'vierstemmige' fuga - een opzet die in het begin heel aardig werkt - verengt zich gaandeweg tot een duet, waarin uiteindelijk slechts één toon zuiver klinkt: die van Chopin.

Achteraf vraag je je af waarom die 'vierstemmigheid' nodig was. Waarom beperkte Bastet zich in dit eerbetoon aan een bewonderde componist niet tot Chopin en Sand en liet hij de twee anderen niet figureren in bijrollen die ze in werkelijkheid in deze levens vervulden?

Het viertal zou voor altijd verbonden worden in drie 'scandaleuze' romans, die - sommigen menen ten onrechte - als 'sleutelromans' worden beschouwd. Die drie romans zijn in elk geval 'de onderliggende tekst' in deze studie. Geinspireerd door boze influisteringen van de kasteelvrouwe op Nohant, bespotte Honoré de Balzac in zijn Béatrix (1848) nauwelijk verhuld de pianokoning Liszt met zijn klagerige gravin; het op George geïnspireerde personage kwam er heel wat glorieuzer van af. In 1846 had Marie d'Agoult haar Nélida gepubliceerd, een jammerlijk mislukte poging af te rekenen met haar voortvluchtige minnaar. Een literair wangedrocht, dat evenwel als curieus document over Liszt en zijn vriendenkring de geschiedenis is ingegaan.

Een jaar later schokte Sand de literaire en muzikale kringen met de roman Lucrezia Floriani. Het publiek las dit verhaal als een bijna waarheidsgetrouwe afspiegeling van de aflopende liaison Sand-Chopin, en als perfide wraakactie van de schrijfster op haar doodzieke geliefde. Sand, en aanvankelijk ook Chopin, met wie ze gewoon verder leefde, wierp deze interpretatie lachend van zich. Franz Liszt, die kort na Chopins dood een kleine monografie over hem schreef, waarin hij rijkelijk uit Lucrezia citeert, meende kennelijk dat deze biografische lezing terecht was. Bastet volgt zijn voorbeeld.

En dat is wat deze biografische studie, bij alle evidente kwaliteiten, op den duur teleurstellend maakt, en bij vlagen onverteerbaar. Het is overduidelijk waar Bastets sympathieën liggen. Hij is er van meet af aan op uit de schrijfster Sand in een kwaad daglicht te stellen en haar schuldig te verklaren aan de vroege, pijnlijke dood van het genie. Zoals velen voor hem deden en zoals de 'goegemeente' in haar eigen tijd deed. En misschien was hij er ook in geslaagd met deze visie te overtuigen, als hij het er niet zo dik bovenop had gelegd en Sand een faire behandeling had gegund.

Maar in plaats van de lezer te laten oordelen, vond Bastet het nodig alle cruciale brieven en handelingen van Sand te voorzien van kribbig, woedend of gekwetst commentaar. 'Hier krijgt de lezer toch bijna de neiging te twijfelen aan Georges verstand', is zijn commentaar bij een brief van Sand aan Delacroix, waarin ze verzekert altijd respect voor Chopins persoonlijkheid te hebben gehouden.

Een brief waarin ze aan een tussenpersoon uitlegt waarom het tussen haar en Chopin is misgelopen - Chopin zou in een hooglopend conflict partij hebben gekozen voor een van George's kinderen, hetgeen waar was, hoewel niet het hele verhaal - staat 'vol verdraaiingen en regelrechte onwaarheden'. Zij kan Chopin niet bezoeken op zijn sterfbed, schrijft ze verder aan de vrouw, dat zou hem pijn doen. 'De brief is onmenselijk', walgt Bastet.

In gevallen waarin twee 'bewijsvoeringen' voor een interpretatie op tafel liggen, kiest Bastet blindelings voor die van Chopin. Zo zou Sand, bij hun laatste, ongewilde ontmoeting met hem hebben willen praten, maar keerde hij haar de rug toe - Sands lezing. Chopin schrijft over dezelfde ontmoeting aan George's dochter Solange, dat hij wat beleefde woorden met haar heeft gewisseld en haar op de hoogte heeft gesteld van de geboorte van haar kleindochter.

Bastet: 'Diens onmiddellijke verslag van deze laatste ontmoeting kan niet anders dan volstrekt waarheidsgetrouw zijn geweest. Er valt geen enkele reden te verzinnen waarom niet. Desondanks meende George Sand er vijf jaar later in Histoire de ma vie een, voor haar gunstigere, wending aan te moeten geven.'

Had Chopin geen reden om niet 'volstrekt waarheidsgetrouw te zijn?' Solange, aan wie hij zijn versie van het gebeurde schrijft, haatte haar moeder en was Chopins beschermelingetje. Haar huwelijk, met de beeldhouwer Clésinger, vormde de aanleiding tot de breuk tussen Sand en Chopin. Hoewel Chopin het afried, stond Sand haar dochter toe te trouwen met de als onbetrouwbaar en verkwistend bekend staande kunstenaar. Sand gaf het paar een flinke bruidschat mee, maar al spoedig kwamen ze klagen dat er meer geld moest komen: Clésinger had schulden.

Sand weigerde, en het echtpaar belasterde haar in anonieme briefjes. Er ontstond een geweldig handgemeen op Nohant, waarbij Maurice, Sands zoon, bijna vermoord werd en Sand zelf in elkaar werd getimmerd door haar schoonzoon. Chopin speelde in dit conflict een onfrisse rol: hij ontfermde zich over de afgedropen Solange, ondersteunde het paar financieel en nodigde de ooit geminachte Clésinger uit voor concerten. Deze kwant zou later zelfs Chopins grafmomument maken.

Chopin koos partij zonder zich ook maar een moment om zijn gemaltraiteerde geliefde te bekommeren of haar versie van het verhaal te horen. Commentaar op deze merkwaardige tournure in Chopins voorkeuren acht Bastet overbodig. De wrede heks heeft zich van hem ontdaan, zo zat het. Voor het gemak duidt Bastet George op het eind regelmatig aan met 'Lucrezia'.

Net zo goed als Bastet de breuk tussen de twee bij wijze van spreken al van kilometers afstand ziet aankomen, kun je je erover verbazen dat twee in karakter, politieke visie en gedrag zo uiteenlopende figuren het jaren achtereen zo gezellig met elkaar hebben gehad. In al haar brieven uit de jaren vóór het smartelijke conflict spreekt Sand uitgesproken hartelijk over Chopin, is ze dodelijk bezorgd over zijn gezondheid en beklaagt ze zich zelden over zijn nukken van gekweld genie, die hij, zo blijkt uit getuigenissen van andere Nohant-gasten, wel degelijk vertoonde.

Waarom zou er geen waarheid kunnen schuilen in Sands latere klacht over Chopins ziekelijke, en ongegronde jaloezie? Waarom zou zij geen gelijk kunnen hebben met haar verwijt dat zij nooit terecht kon bij Chopin met háár problemen? Uit niets blijkt dat hij zich ook maar enigszins interesseerde voor haar werk; zij was voor hem vooral de plichtsgetrouwe, moederlijke verzorgster met een comfortabel onderkomen. Uit niets blijkt ook dat Chopin haar dankbaar was voor die jarenlange gastvrijheid en verzorging op Nohant. Hij schreef er het merendeel van zijn werk, werd door haar in stille afzondering gelaten. Maar ja, hij vond al die natuur vervelend en hunkerde naar de salons met de kirrende dames en de verliefde meisjes aan wie hij zijn composities kon opdragen.

Chopins lezing, onweersproken gelaten door Bastet, is dat hij op Nohant verbleef om haar terzijde te staan bij de opvoeding van haar kinderen. Alsof Sand, die alles in haar eentje ondernam, dat zelf niet af kon!

Een biografisch geschrift dat zoveel irritatie opwekt, als betrof het tijdgenoten, nabije vrienden of familieleden, moet wel met passie geschreven zijn. Eenzijdige passie, dat wel. Het is een bewonderenswaardig werkstuk, al ligt dat meer aan de inhoud dan aan de stijl. In de eerste hoofdstukken schrijft Bastet droog en opsommerig, in de latere delen bevlogen en verontwaardigd. Maar daarbij schrikt hij niet terug voor clichés als 'donkere wolken pakten zich samen' of: 'Hij (Chopin) kon altijd weer putten uit een overvloed aan juwelen die voor het grijpen lagen.' Chopins juwelen hebben van deze biograaf een vergulde doos gekregen. Nu nog het boek dat recht doet aan die merkwaardige negentiende-eeuwse Einzelgänger, George Sand.

Aleid Truijens

Frédéric Bastet: Helse liefde - Over Marie d'Agoult, Frédéric Chopin, Franz Liszt, George Sand.

Querido; 709 pagina's; ¿ 75,-.

ISBN 90 214 5157 3.

Meer over