'Chocolade is geen karton, mijnheer'

Wanneer smaakten aardbeien voor het laatst naar aardbeien? Langer dan dertig jaar geleden. In 1970 slaakte Gerard Krul deze verzuchting: 'Vroeger beleefde je de seizoenen, je at wat het seizoen bracht....

Adriaan de Boer

Krul was zeer aangedaan. Het was een inktzwarte dag voor de hele familie, Maison Krul, een begrip tot ver buiten Den Haag, sloot haar deuren. De banketbakkerij, 'koninklijk' sinds 1903, had 135 jaar bestaan, bezat in de bloeitijd twaalf filialen en verschafte 120 werknemers een inkomen. Buiten het Jugendstil-gebouw bracht de Haagse Harmonie een laatste hulde - dezelfde fanfare die de opening met muziek had opgeluisterd. 'Daarna drongen de journalisten door de menigte heen en begonnen Gerard vragen te stellen.'

In zijn kantoor, 'bij een laatste kopje koffie', hield hij zijn grafrede, die een tirade werd: 'Als ik denk aan al die treurigheid die op het ogenblik wordt verkocht. . . Wij willen onszelf niet imiteren. Stel dat men in Den Haag zou zeggen: Krul is Krul niet meer.'

Tijd was geld geworden, met zijn verfijnde ambachtelijke hoogstandjes kon 'Confiserie Chocolaterie Royale J.A. Krul' niet langer wedijveren met de massaproductie van de concurrenten. Die namen het minder nauw met kwaliteit, je moest er ook staande je koffie drinken - 'en hup wegwezen'. Kroketten uit de automaat, 'tearooms en noenzalen die snelbuffet worden'. Of neem chocolade. 'Die moet tijdens de fabricage rusten, mijnheer. Daar wordt vandaag de dag niet meer aan gedacht. Niemand neemt daar nog de tijd voor. (. . .) Chocolade is een kruid, geen karton.'

De pil was bitter. Extra zuur was dat toen het gerucht van de ophanden zijnde sluiting door Den Haag waarde, plotseling de cliëntèle weer in groten getale toestroomde. In jaren was het niet zo druk geweest, de liefhebbers van croûtes d'amandes of getrempeerde baba's stonden tot op het trottoir. Maar uit de lunchroom verdween ook alles waar 'Krul' op stond. Het bestek werd meegenomen, kopjes, zilveren theepotjes, melkkannetjes. In de weken voor het doek viel, moest nog van alles worden vervangen.

Mieke Krul, een nazaat wier plaats in de familie verder niet wordt geduid, schreef een als roman gepresenteerde geschiedenis van het door-en-door Haagse bedrijf, Maison Krul - De roman van een banketbakker (De Nieuwe Haagsche; fl. 49,-). Ze baseerde zich op de archieven en de herinneringen die Gerard twee jaar voor zijn dood op papier heeft gezet. Data en jaartallen ontbreken, maar de bedrijfs- en familiegeschiedenis wordt met liefde verteld in een passende, ouderwetserige stijl. (Wanneer een douairière in de buurt is vermoord, de briljanten zijn van haar vingers geroofd, staat er het heerlijke zinnetje: 'Inspecteur Mertz stond voor een raadsel.')

Het fotomateriaal is van grote schoonheid, vooral de opname van de rij nette bezorgers op bestelkarren - bladgeveerd, koplamp, gemoffeld spatbord - met de firmanaam erop. Ernaast de Fords voor het zwaardere werk. Of het betere: hofleveranties.

Het is lectuur als een doos biscuits de Savoie van de meesterbakker. Niet te veel ineens.

Meer over