Chinese tekens

Vreemde ogen en Chinees gevoel

Leenhouts Mark

Veel van de boeken die de laatste maanden over China verschijnen, maken aardig de balans op van het land, met zijn bouwwoede, zijn misstanden en zijn kansen. Sommige boeken doen nog iets meer.

Jan van der Putten schetst de recente ontwikkelingen met speels gemak. Dankzij zijn voormalige correspondentschap voor de Volkskrant en zijn huidige directeurschap van 'Eyes on China', een zakelijk-cultureel bemiddelingsbureau, kan hij op een ruime China-ervaring bogen. In Chinese tekens weet hij met vaak komische snapshots te verbeelden hoe het oude en het nieuwe China soms recht tegenover elkaar staan, zoals wanneer een boer in een vliegtuig de deur open wil doen om zijn fluim kwijt te raken. Hij ruimt ook verscheidene hoofdstukken in om de Chinezen als mens te typeren.

'Waarom zijn Chinezen zo koel? Waarom tonen ze hun gevoelens niet? Hebben ze wel gevoel, die Chinezen?' Op dergelijke vragen, die hij vaak van westerse zakenlieden te horen krijgt, gaat Van der Putten geduldig in. Chinezen hebben wel gevoel, licht hij ten overvloede toe, maar tonen dat op andere manieren - die hij vervolgens invoelend duidt met raadpleging van Confucius en hedendaagse deskundigen. Alleen moet zijn bewering dat Chinezen geen ironie kennen haast wel betekenen dat hij in China geregeld in het ootje is genomen.

Op andere momenten echter schemert door dat Van der Putten zichzelf ook weleens als die zakenlui voelt. 'We mogen het rustig stellen', concludeert hij dan boud, 'Chinezen en gevoelsuiting gaan over het algemeen niet goed samen'.

Op dezelfde manier doet hij zijn historische uiteenzetting over het begrip gezichtsverlies bijna teniet door te verzuchten dat het de Chinezen nog een 'titanenarbeid zal vergen' om 'gezichtsverlies te accepteren als iets dat nu eenmaal hoort bij het leven'. Daar spreekt de bevoogdende westerling die niet kan wachten tot het confucianisme nu eindelijk eens wordt gemoderniseerd.

De kloof tussen oost en west vind je op een ander vlak terug in Berichten uit Peking van de Chinees-Canadese Jan Wong, wier verleden met China nog verder teruggaat. Als westerse uitwisselingstudente en maoïstische gelovige in Peking had ze in de vroege jaren zeventig, tijdens de Culturele Revolutie, een Chinese medestudente aangegeven die haar opbiechtte dat ze naar Amerika wilde. Destijds meende Wong uit de juiste maoïstische motieven te handelen, maar nu wil ze de vrouw opsporen om vergiffenis te vragen.

Het klinkt wat koket: decennialang heeft Wong niet aan de studente gedacht, hoewel ze vele jaren als correspondente in China werkte, maar nu een uitgever haar de opdracht geeft een portret van het veranderende Peking te schrijven, ziet ze ineens stof voor een verhaal. En toch levert het heel wat op - al oogt haar portret van Peking nu wat obligaat naast haar thrillerachtige zoektocht.

Het zou zonde zijn om het verloop daarvan te verklappen, maar uiteindelijk komt uit het boek duidelijk naar voren welke enorme discrepantie er bestaat tussen de buitenlandse correspondente, die enkel bezig is met het verleden, en haar Chinese klasgenoten van toen, die allemaal onherroepelijk in het heden leven. Terwijl Wong worstelt met vragen van goed en fout, zo laat ze niet zonder zelfspot zien, zijn de scheidslijnen tussen de oude klassenverhoudingen in het huidige China op verwarrende wijze door elkaar gaan lopen.

Menselijk contact komt eigenlijk nauwelijks voor in Anton Valens' kleine reisverslag Ik wilde naar de rand van Beijing. Valens, auteur van de bekroonde debuutbundel Meester in de hygiëne, verbleef in 2007 een tijdje in een Pekings appartement. Zijn opzet is dan ook niet zozeer het verklaren van China, hij geeft vooral impressies van het leven op straat. Want Valens wandelt graag, liefst op de bonnefooi, waardoor hij soms voor verrassingen komt te staan.

Even naar de dierentuin lopen is er in het uitgestrekte Peking niet bij - kilometers weidse boulevards later komt hij er bezweet en wel aan e

n kan hij eindelijk een panda in de ogen kijken. De passage is typerend. Enerzijds lijkt Valens zich bewust niet te willen voorbereiden op zijn ontdekkingstochten. Anderzijds komt hij zodoende toch uit op de geijkte Chinese dingen: panda's, Mao, rochelende en gymnastiekende bejaarden in het park.

Valens beschrijft zijn verlorenheid zonder oordeel of vooroordeel. Maar in zijn observaties van de inwoners van Peking proef je wel een behoorlijke afstand, dreiging zelfs.

Voortreffelijk typeert hij zijn oude buurvrouwtjes in hun identieke kledingstijl, maar dan ineens: 'Volgt deze vrouw me? Wil ze iets van me?' En als hij een praktisch postprobleempje moet oplossen, beleeft hij eveneens licht paranoïde scènes in kantoortjes met mensen die hij niet verstaat.

Toch wordt het nergens echt beklemmend, en hulp is ook nooit ver weg. Als Valens iets toont, is het het gevoel een vreemde te zijn. En dat gevoel blijkt dus ook de krantencorrespondent, van westerse of Chinese origine, nog weleens parten te spelen.

Meer over