Charles Dickens in deze tijd

DE VICTORIAANSE roman wordt niet alleen gretig geimiteerd door de Jeffrey Archers onder ons, ook serieuze auteurs laten zich bij herhaling inspireren door het genre....

Sinds het Verhaal officieel werd doodverklaard, is de Victoriaanse vertelling voor veel auteurs klaarblijkelijk een nieuw begin geworden. Anders dan Jeffrey Archer, beperken de genoemde schrijvers zich niet tot klakkeloze navolging van de Victoriaanse roman. Zij pasticheren het werk van hun voorgangers, maar vaker betuigen ze door middel van hun eigen boeken hulde aan de negentiende-eeuwse meesters (m/v), die ze bewonderen om hun vakmanschap.

Ogenschijnlijk nemen de genoemde schrijvers hun lezers mee naar een typisch negentiende-eeuwse wereld, van Charles Dickens of George Eliot bijvoorbeeld, en wekken ze de indruk Victoriaanser dan Victoria zelf te zijn, maar voor ons hoeft het geen betoog dat een negentiende-eeuwse lezer er zijn eigen tijd ternauwernood in zou herkennen, als hij al niet stomverbaasd zou zijn.

Dat gaat beslist op voor Jack Maggs, de zevende roman van de Australiër Peter Carey. Door een criticus werd het boek al omschreven als 'de meest Dickensiaanse roman die Dickens nooit heeft geschreven'. Dat is een treffende typering. Er kan aan toegevoegd worden dat Dickens zo'n boek ook niet had kúnnen schrijven, omdat het volkomen doortrokken is van een twintigste-eeuwse kijk op de Victoriaanse tijd.

Voor ons is dat een afgesloten periode in de geschiedenis. Wij hebben daarvan een beeld. Over The French Lieutenant's Woman is gezegd dat dit boek een hele generatie studenten meer geleerd heeft over de Victoriaanse roman dan die Victoriaanse romans zelf. Maar laat ons niet vergeten, dat dit een gevolg was van het feit dat The French Lieutenant's Woman nu juist geen Victoriaanse roman ís.

Wie in de Victoriaanse tijd een roman schreef, wist niet aan welke regels en voorschriften hij zich moest houden om zijn lezers 'een Victoriaanse roman' te schenken. Hedendaagse auteurs met inzicht in de geschiedenis weten dat wél en Peter Carey is er om dat weer eens te bewijzen.

Zijn onderhoudende en grondig gedocumenteerde roman is gesitueerd in 1837, en het is vast geen toeval dat uitgerekend in dat jaar koningin Victoria de troon besteeg. In 1837 komt Jack Maggs uit Australië in Dover aan. Maggs was een dief en zoals gebruikelijk in die tijd, werd hij naar de strafkolonie van New South Wales gedeporteerd. Hij zat z'n straf uit, werkte zich op tot een succesvol steenbakker en is nu teruggekeerd om in Londen zijn geadopteerde zoon te ontmoeten, het weeskind Henry Phipps, die hem, in een grijs verleden, zo vriendelijk bejegende. Later, in Australië, besloot Maggs de opvoeding van Phipps te bekostigen. Hij snakt naar een liefdevolle hereniging met hem.

Wie vertrouwd is met het werk van Dickens, zal de parallel met Great Expectations niet ontgaan. De knipoog is tot in de namen merkbaar: bij Dickens heten de teruggekeerde boef en de weesjongen respectievelijk Magwitch en Pip. En we weten dat Dickens een tijdlang schreef aan een roman die de werktitel Mag's Diversions had. Dit boek, over ene Thomas Mag, zou later uitgroeien tot David Copperfield. Voor Dickens-lezers is Jack Maggs een feest van herkenning.

Ook Dickens zelf figureert in Jack Maggs, en nogal nadrukkelijk ook. Eenmaal aangeland op Engelse bodem treedt Maggs in dienst van Percy Buckle, een jaar tevoren nog een eenvoudige kruidenier, en daarvoor een simpele visverkoper, maar nu - dankzij een erfenis - een gefortuneerd man. Maggs wordt zijn bediende. Om de baan bij Buckle te kunnen krijgen heeft hij een nieuw verleden verzonnen, maar hij blijft vrezen dat zijn bedrog zal uitkomen.

Tijdens een diner, waarbij hij zijn meester en diens gasten moet bedienen, wordt Maggs onwel. Hij raakt in een soort trance. Als hij weer bijkomt, is hij bang dat hij zijn mond voorbij heeft gepraat en zijn geheim heeft verraden. En inderdaad, een van de gasten, de schrijver en journalist Tobias Oates, heeft iets gemerkt van de wereld achter Maggs' façade. Hij ruikt een spectaculair verhaal dat, indien verwerkt tot een roman, hem in staat zal stellen de grote Thackeray te overtreffen.

Het is duidelijk dat Tobias Oates, reeds befaamd om zijn boek over Captain Cruley, Carey's versie van Charles Dickens is. Net als Dickens heeft Oates een ellendige jeugd gehad, die hij compenseert met een bijna sentimentele behoefte aan gezellige familiebijeenkomsten. Van Dickens is voorts bekend dat hij zowel journalistiek als literair ten strijde trok tegen het onrecht en het opnam voor de verworpenen der aarde. Dat doet Oates ook. Dickens had een meer dan gewone belangstelling voor alles wat met dood en misdaad te maken had. Oates heeft die ook.

Dickens was een groot tegenstander van publieke executies, die hij niettemin graag bijwoonde. Oates, de trotse bezitter van een in pekel gelegde dievenhand - waarvoor hij 'een pittig bedrag' heeft moeten neertellen -, doet in dit opzicht voor Dickens niet onder. En beiden zijn stapelgek op het jongere zusje van hun vrouw, dat bij hen inwoont, en zijn ontroostbaar wanneer het meisje op 17-jarige leeftijd overlijdt. Dickens-kenners hebben het vermoeden geuit dat de verhouding met het nichtje intiemer was dan voor die tijd oirbaar was. Oates maakt zijn nichtje zwanger.

Een voor deze roman cruciale overeenkomst tussen Dickens en Oates is hun beider belangstelling voor hypnose. Oates heeft een stukje van Maggs' verborgen verleden ontdekt, en heeft de ex-misdadiger dus in zijn macht. Hij vraagt Maggs deel te nemen aan een reeks hypnotische sessies. Deze zullen hem, zo belooft hij, bevrijden van de geesten en fantomen die nu in zijn brein rondspoken. Oates' werkelijke belangstelling gaat echter uit naar een beter begrip van het Criminele Brein, een kennis die hij wil exploiteren in zijn werk. Om Maggs over te halen, belooft hij dat hij in ruil voor zijn medewerking op zoek zal gaan naar Henry Phipps, de 'verloren zoon'.

Wat volgt is een duizelingwekkende reeks gebeurtenissen, vol klassiek-Victoriaanse ingrediënten, waarin de geuren en kleuren van zowel de verwaten rijkdom als de vuile armoe in het negentiende-eeuwse Londen tot leven worden gewekt. Maar een belangrijk verschil met een echte Victoriaanse roman is, dat in Jack Maggs, net als in die andere twintigste-eeuwse navolgingen, het destijds onnoembare bij name wordt genoemd. Een hedendaagse volwassene die Oliver Twist leest, zal in Fagin niet alleen een slechterik zien, die kleine jongetjes aanzet tot diefstal, maar hoogstwaarschijnlijk ook een man, die gedreven wordt door pedofiele lusten. Uiteraard heeft Dickens dat niet met zoveel worden opgeschreven, hoewel hij streetwise genoeg was om op de hoogte te zijn van welk menselijk gedrag, welke menselijke passie en welke menselijke aberratie dan ook.

In Jack Maggs krijgt de lezer de gruwelijke abortussen, kinderverkrachtingen, martelingen, alsook de verboden seksuele passies van niet-heteroseksuele of buitenechtelijke aard, waarover Dickens alleen maar tussen de regels schreef, in ruime mate opgedist. Maar niet door deze gruwelen zo onbekrompen uit te smeren, heeft Carey een zwarter boek geschreven dan Dickens ooit uit zijn pen had kunnen krijgen. Dickens was een Victoriaan, en dus bijna per definitie een optimist. Hij geloofde is de veranderbaarheid van mens en wereld. In zijn boeken vallen alle rampzalige brokstukken in de laatste hoofdstukken dan ook netjes op hun plaats: als het erop aankomt kent de wereld een orde, zit ze logisch in elkaar. Maar Carey is iemand van deze tijd. Bij hem is niemand wie hij lijkt. Voor hem zijn geheimen en ongerijmdheden er niet om te worden opgelost. Zij vormen het wezen der dingen.

Hans Bouman

Peter Carey: Jack Maggs.

Faber & Faber, import Penguin Nederland; 328 pagina's; ¿ 50,25.

ISBN 0 571 19088 X.

Meer over