Analyse

Cécile Narinx geeft vijf redenen waarom Azzedine Alaïa een van de beste jurkenmakers ooit was

Azzedine Alaïa en Tina Turner in Parijs, 1989. Beeld Peter Lindbergh (met dank aan het Peter  Lindbergh Foundation, Parijs)
Azzedine Alaïa en Tina Turner in Parijs, 1989.Beeld Peter Lindbergh (met dank aan het Peter Lindbergh Foundation, Parijs)

Een jurk aantrekken van Azzedine Alaïa voelt alsof je lichaam door een Instagramfilter wordt gehaald. Op 12 januari, drie jaar na zijn dood, is de Tunesische couturier onderwerp van een Close Up-documentaire. Bij hem draaide het niet om hemzelf, niet om de mode, maar om de vrouw.

Cécile Narinx

Het was 20 mei 2015 aan de Rue de la Verrerie in het 3e arrondissement van Parijs. Binnen was een diner gaande ter ere van de lancering van Azzedine Alaïa’s eerste parfum, simpelweg Alaïa geheten. Het geurde naar zijn jeugd in Tunis, zo was het verhaal erbij. De zorgvuldig samengestelde ingrediënten lieten het ruiken naar natte klei en een zwoel vermoeden van vrouwenhalzen. Heel subtiel verpakt was het, in een donkere fles met een goudkleurige dop.

Binnen, in de zaal waar Alaïa normaal gesproken zijn modeshows hield, had een bandje opgetreden en was het druk en warm. Zo warm dat ik even naar buiten liep, de binnenplaats met kinderkopjes op. Daar was het een komen en gaan van obers die vanuit de zijruimte schalen eten aandroegen. Een van de mannen droeg niks en was opvallend klein, een kind nog, leek het. Toen hij zich omdraaide, zag ik pas dat het een mannetje op leeftijd was, in een zwart Tang-jasje.

Opeens viel het kwartje: dit was Azzedine Alaïa zelf. De grote afwezige van de parfumlancering was dus toch in de buurt, heel dichtbij zelfs, maar te bescheiden of verlegen om zich in het gewoel te mengen of ook maar iets van aandacht op te eisen. Gelukkig wilde hij, toen ik het heel bedeesd, want gegeneerd, vroeg, wel met me op de foto. Niet op z’n Frans Bauers met een duim in de lucht en een arm om mijn schouder, maar schuchter lachend en met de armen stevig over elkaar.

Een artikel over Azzedine Alaïa beginnen met te zeggen dat de man zo klein is en zijn daden zo groot is een afschuwelijk cliché, maar het is tegelijkertijd de beste manier om hem in één zin neer te zetten. Alaïa was, ondanks zijn 1 meter 50, een gigant in de modewereld, een superheld. Daarbuiten zullen er niet zo gek veel mensen zijn die zijn naam kennen. Terwijl: Alaïa’s ontwerpen zal iedereen weleens hebben gezien. Ze werden gedragen door bekende vrouwen als Grace Jones, Tina Turner, Lady Gaga en Michelle Obama. Misschien dat bij die gelegenheden de jurken niet eens zo heel erg opvielen, maar de vrouwen erin des te meer. Want wanneer iemand een creatie van Alaïa draagt, springt niet de jurk als eerste in het oog, maar de drager. Alaïa maakte kleding die de vrouw erin omarmt, bejubelt, onderstreept en optilt.

Dat klinkt overdreven, maar dat is het niet. De drie keren dat ik zelf een Alaïa-jurk droeg (een witte voor het Boekenbal, een flessengroene en een donkerblauwe voor award-uitreikingen) kon ik het aan den lijve ondervinden. Een jurk van de meester aantrekken voelt alsof je lichaam door een Instagramfilter wordt gehaald. Wat je graag wilt laten zien wordt geaccentueerd, waar je minder blij mee bent wordt verdoezeld of afgeplat. Wat een steuntje kan gebruiken wordt zachtjes gestut. Denk niet dat zo’n jurk ordinair oogt, of voelt als een keurslijf, verre van dat zelfs. Ze zijn zo comfortabel als een joggingpak maar nimmer vulgair. Alaïa was een van de beste en sympathiekste jurkenmakers ooit. En wel hierom.

Azzedine Alaïa naast Cécile Narinx in Parijs, mei 2015 Beeld Privébeeld
Azzedine Alaïa naast Cécile Narinx in Parijs, mei 2015Beeld Privébeeld

1. Alaïa had geen groot ego

Als er één woord is dat Alaïa typeert, dan is het wel bescheidenheid. Wanneer hij nou precies werd geboren onthulde hij nooit, vermoedelijk eind jaren dertig. Zeker is wel dat het in Tunis was, in het huis van zijn grootouders van moederskant. Zijn vader stamde van een boerenfamilie uit Siliana, in het binnenland van Tunesië. Madame Pineau, de vroedvrouw die hielp bij de bevalling, was een familievriendin, bij wie Azzedine in de weekenden vaak ging logeren. Bij haar leerde hij de Vogue en de catalogus van La Redoute kennen en kon hij ze bekijken: samen kozen ze welke jurken madame zou gaan kopen.

Het was ook Pineau die Alaïa inschreef bij de kunstacademie van Tunis, voor de opleiding beeldhouwkunst. In 1957, na zijn afstuderen, vertrok de jongeman naar Parijs, op zoek naar een baan bij een couturesalon. Hij mocht vijf dagen meedraaien in het atelier van Christian Dior maar werd niet aangenomen. De reden voor zijn afwijzing kreeg hij nooit te horen. Misschien, zo filosofeert hij zelf in de documentaire, was het omdat er rond die tijd ‘van alles speelde’ in Algerije, en Parijzenaars niet zo tuk waren op immigranten uit de Magreb. Hij moest zonder inkomen op zoek naar woonruimte, vond een kamer bij de gravin de Blégiers en mocht daar intrekken in ruil voor jurken op maat.

Jaren later, toen hij in de Parijse Opéra een mode-Oscar kreeg uitgereikt, was de onderscheidene bijna te bleu om zijn prijs te komen halen. Zo’n eerbetoon was niks voor Alaïa, die zat naar eigen zeggen liever ergens achteraf met een bordje tomaten met olijfolie. Toen de Franse president Sarkozy hem in 2008 een Légion d’Honneur wilde opspelden, bedankte hij voor de eer, want: ‘de grootste prijs is dat vrouwen mijn kleding dragen’.

Jurk van Azzedine Alaïa uit de zomer/herfstcollectie 2003. Beeld Robert Kot
Jurk van Azzedine Alaïa uit de zomer/herfstcollectie 2003.Beeld Robert Kot

2. Alaïa stelde de vrouw centraal

Het was in het Parijse huis van Nicole gravin de Blégiers dat Alaïa nederig en dienstbaar leerde zijn aan zijn klanten. Hij ontwierp niet voor een paspop of een mannequin met de perfecte proporties, hij ontwierp voor een echte vrouw, met specifieke maten en wensen. Die eerste jaren, decennia zelfs, werkte de Tunesiër uitsluitend in opdracht, zoals de historische kleermakers dat voor de opkomst van couture en prêt-à-porter deden. Behalve zijn adellijke hospita kleedde hij ook andere deftige dames die hij via haar aan zijn klantenkring kon toevoegen. Schrijver en dichter Louise de Vilmorin bijvoorbeeld, van wie hij veel leerde over elegantie en verfijning. Claudette Colbert, Cécile de Rothschild, en haar legendarische protegé Greta Garbo, die grote, wijde jassen bij hem bestelde, waarin ze nog mysterieuzer leek.

Een geluk noemde Alaïa dat soort kennismakingen. Ook bij zijn latere privéklanten, onder wie Grace Jones en Tina Turner, liet hij hun figuur het ontwerp bepalen. Toen hij hele collecties ging maken en zijn kleding liet showen door modellen van het kaliber Naomi Campbell en Linda Evangelista maakte hij zich er nog steeds niet van af met modetekeningen die hij door naaisters liet interpreteren en uitvoeren (de methode-Lagerfeld). Hij schetste hooguit de grove lijnen, om naderhand zelf met spelden en schaar bij de hand letterlijk om de vrouwen heen te cirkelen en de jurken op te bouwen. Vandaar dat hij altijd een pasmodel in zijn huis had wonen, zodat hij op elk moment van de dag kon zien of zijn ideeën werkten op een echt lichaam.

Azzedine Alaïa en het Duitse fotomodel Vanessa Duve in Parijs, 1989. Beeld Peter Lindbergh
Azzedine Alaïa en het Duitse fotomodel Vanessa Duve in Parijs, 1989.Beeld Peter Lindbergh

Alaïa, privé jarenlang gelukkig met kunstschilder Christophe von Weyhe, was een professioneel bewonderaar van vrouwenlichamen. Hij was er vertrouwd mee, begreep hoe ze in elkaar steken: als klein kind bracht hij uren door in de hammam, waar vrouwen bloot rondliepen en ongegeneerd hun rondingen toonden. In de tijd dat hij kostuums maakte voor de danseressen van Le Crazy Horse nachtclub in Parijs werd hij nog beter in het aankleden en goed doen uitkomen van vrouwenbillen. Benen interesseerden en inspireerden hem niet zo, het achterwerk des te meer. Als hij aan het werk was met een levend model, zat hij altijd zo gebukt en geknield dat zijn ogen op bilhoogte bleven rusten. Hangende billen gaf hij graag een lift, zei Alaïa, want voor hem had haute couture niet alleen een decoratieve maar ook een orthopedische kant: ‘Het lichaam zo goed mogelijk uit laten komen, daar is kleding toch voor bedoeld?’ Hij vond dat vrouwen in de jaren dat hun lichaam het mooist was de plicht hadden er goed voor te zorgen en het fraai te verpakken, met waar nodig een corrigerend zetje. In de jaren tachtig, het tijdperk van Fame, Flashdance en aerobics, waren zijn outfits een schot in de roos.

Ontwerp van Azzedine Alaïa uit de zomer/herfstcollectie van 2003. Beeld Robert Kot
Ontwerp van Azzedine Alaïa uit de zomer/herfstcollectie van 2003.Beeld Robert Kot

May Day

Ook muziekfreaks en Bond-fans hebben de nodige Alaïa-creaties voorbij zien komen. In de clip van Addicted to Love van Robert Palmer bijvoorbeeld (de dames in het zwart) en in A View To A Kill, waarvoor Alaïa de kostuums maakte van Grace Jones’s personage MayDay.

3. Alaïa deed alles zelf

Interviews waarin Azzedine Alaïa honderduit praat over zichzelf en zijn werk zijn er weinig. Filmpjes waarin hij aan het werk is zijn er wél legio. Prachtig om te zien zijn die, omdat ze een maker tonen die volledig wordt opgezogen door zijn werk. Iemand die liefst tot diep in de nacht aan lange, helverlichte tafels bezig was met papier, potlood, gum, liniaal en patronen. Die zat te fröbelen met meetlatjes en berekeningen. Die druk was met stoffen bepotelen en draperen, met afspelden en inknippen, met schikken, snijden, kijken en herschikken. Hij reeg zelf met naald en draad, naaide eigenhandig knopen aan en gespte de ceinturen van zijn modellen dicht om daarna te informeren of de jongedame in kwestie zich wel lekker voelde in zijn outfit. Of ze erin kon bewegen, wilde hij dan weten – wat prima kon, dansen was ook geen probleem en lopen met genoeg aplomb om de hele wereld aan te kunnen, dat ging eigenlijk vanzelf.

Later in zijn carrière liet hij speciale machines ontwikkelen die de dikke jerseys konden breien waar hij het liefste mee werkte: mailles die zo stevig waren dat ze als een soort steunkousen voor het torso fungeerden. Hij wist precies hoe de jurken rond de taille moesten worden geboetseerd en hoe hij een rok vervolgens kon laten golven en klokken alsof-ie gewichtloos was.

Jurk van Azzedine Alaïa uit de wintercollectie 2008. Beeld Robert Kot
Jurk van Azzedine Alaïa uit de wintercollectie 2008.Beeld Robert Kot

4. Alaïa was een meester in architectuur en proporties

Juist dat 3D-aspect, dat technische, die behendigheid in het opbouwen van een jurk rondom een lichaam verraadt dat Alaïa meer dan een modeontwerper een beeldhouwer en een architect was. Net als sommige beeldhouwers hun beeld alleen nog maar hoeven te bevrijden uit een blok steen of hout, liet Alaïa zijn jurken geboren worden uit de stof – een manier van werken die hij gemeen had met madame Grès, de ontwerper die in de jaren dertig en veertig furore maakte.

Hij liet zich niet opjutten door de commercie, hij bepaalde wanneer een collectie klaar was om aan pers en inkopers te worden getoond en deed simpelweg niet mee aan de voor anderen zo heilige kalender van fashion weeks en modeseizoenen. Alaïa had geen behoefte aan rijkdom en roem, hij maakte zelfs weloverwogen schulden en liet zijn inkopers onaanvaardbaar lang wachten om zijn werkmethode te perfectioneren. Dáár ging het hem om: perfectie. De beste zijn, een oeuvre nalaten. Wereldkampioen jurken maken worden en blijven.

In zijn archief bewaarde hij stukken van modegrootheden als Cristóbal Balenciaga, madame Vionnet en Paul Poiret, die hij gebiologeerd bestudeerde. Hij kon jaren werken aan het ideale jasje, en was daarbij vooral bezig met de juiste proporties, van zowel de jurken als de vestjes die erover gedragen moesten worden. Zelf zei Alaïa: ‘Het gaat zowel bij couture als architectuur om de verhoudingen. Maar architectuur is een kunst, en couture is een ambacht.’

Jurk van Azzedine Alaïa uit de zomer/herfstcollectie 2003. Beeld Robert Kot
Jurk van Azzedine Alaïa uit de zomer/herfstcollectie 2003.Beeld Robert Kot

5. Wat Alaïa maakte, was nooit ordinair

Zijn bijnaam loog er niet om: King of Cling, oftewel Koning Kleef. Zeker, zijn jurken waren strak en benadrukten de vormen van het lichaam. Soms waren de decolletés diep of werden er andere reepjes bloot getoond, maar nimmer werd de grens van de goede smaak overschreden. In de jaren tachtig werkte Alaïa een tijd lang samen met Thierry Mugler, ook al zo’n ontwerper die vrouwen in strakke jurken hees. Maar waar de kleding van Mugler erotisch en soms ronduit obsceen was, bleef het bij Alaïa altijd in het sensuele, het poëtische. Alaïa objectiveerde vrouwen niet, hij vereerde ze. Het bleef in het nette door het gebruik van effen – in het begin veel zwart, bruin, bordeaux en ecru – en matte stoffen, terwijl maximalist Mugler eerder greep naar lakleer en zelfs metaal. Alaïa wist te doseren, snapte dat een hooggesloten rits meer kon prikkelen dan borsten die worden opgediend als meloenen.

Logisch ook, als je bedenkt dat zijn inspiratiebronnen altijd keurige vrouwen waren. In zijn jeugd vergaapte hij zich aan de nonnen die hij zag, met zwarte kappen, bleke gezichten en bruine voeten in hun sandalen. Later, in Parijs, waren het de comtesse de Blégiers en Greta Garbo, die hem liet zien dat een vrouw ook elegant kan zijn in een lange broek en op platte schoenen. Een andere muze was actrice Arletty, een vrouw van eenvoudige komaf, maar een ster in het chic laten lijken van simpele dingen, zoals de ballettopjes van Repetto die ze steevast droeg: zonder kraag, met een V-hals in de rug. Tijdloos, leeftijdloos en eindeloos stijlvol, net als alles wat Alaïa maakte.

Close up: Sexy couture – De mode van Azzedine Alaïa, 12/1 om 23.03 uur op NPO 2.

null Beeld Taschen
Beeld Taschen

Stralend in zwart en wit

Een typisch geval van 1 + 1 = 3, de samenwerking van Alaïa met de Duitse fotograaf Peter Lindbergh, ook al zo iemand die vrouwen op een voetstuk zette en ze liet stralen in zwart en wit. Na hun ontmoeting in Parijs in 1978 werkten ze jaren samen. Het leverde honderden foto’s op, en een bijzonder fraai koffietafelboek met de kraakheldere titel Peter Lindbergh. Azzedine Alaïa, van uitgever Taschen.

Niets boven Groningen

Het Groninger Museum wijdde tweemaal een tentoonstelling aan het werk van Azzedine Alaïa, in 1997 en in 2011. Bij die laatste tentoonstelling, Azzedine Alaïa in the 21st Century, verscheen een gelijknamig boek dat nog steeds te koop is.