Canons gaan langzaam met hun tijd mee

Maar liefst tien literaire uitgevers zijn verantwoordelijk voor de Deltareeks, een in 1998 met overheidssubsidie begonnen 'canon van de literatuur der Lage Landen'....

De eerste literaire reeks die me ook letterlijk is bijgebleven (ik heb'm geërfd) stond in de kast van mijn ouders, en heette Bibliotheek vanNederlandsche Schrijvers. De zeventig zeegroene deeltjes hadden eenbandontwerp meegekregen dat de Hollandsheid van de productie benadrukte.Links en rechts was aan elk van twee bloembollen een rode tulp ontsproten,in het midden bloeiden twee gele narcissen. De afzonderlijke boektitelswaren omlijst door iconen van het polderlandschap: een windmolen, eenboerenhoeve, de ophaalbrug over een trekvaart. Op de smalle ruggen prijktenóg een rode tulp.

Een werkloze timmerman die in de jaren dertig bij ons thuis weleensstiekem een klusje opknapte (en als hij klaar was keek mijn moeder eersteven links en rechts naar buiten of er niet toevallig iemand van de CrisisControle Dienst door de straat liep te spioneren), heeft in de kast nog eenextra lange plank gemonteerd waarop alle zeventig bandjes in één rijnaast elkaar konden staan. Ze besloegen samen één meter vijfendertig.

Mijn vroegste associatie was die met een orgel. Dat lag aan deopstelling en aan het feit dat om een reden die ik nooit heb kunnenverklaren twaalf van de zeventig delen - de verzamelde schetsen van Justusvan Maurik -3,5 centimeter boven de overige 58 uitstaken. Zodra de langeplank er was, zette mijn vader de karmozijnrode 25ste jubileumdruk van deCamera Obscura (Haarlem, 1909) in het midden, drapeerde daar aanweerszijden zes Van Maurikken omheen en liet de rest in twee rijen van 29als het ware afdalen van de monumentale Hildebrand.

Vertegenwoordigde de serie, die rond 1900 verscheen, een canon?

Op zes deeltjes Vondel na (in de editie van Jacob van Lennep) waren alleschrijvers van de net voorbije eeuw, de 19de. Er waren gedichten van Beets,Da Costa, De Genestet, Ter Haar, De Schoolmeester en Van Zeggelen,toneelstukken, romans en novellen van J.J. Cremer, alle 'klassieken' vanJacob van Lennep, verspreid werk van Jan ten Brink, Van Maurik, én tiendelen Multatuli.

Die kunnen toentertijd allemaal inderdaad tot de canonieke letteren zijngerekend, maar dat weet je nooit precies. Canons gaan met hun tijd mee.Later zouden mensen misschien geneigd zijn te vragen waarom wel Da Costaen niet Potgieter, wel Van Lennep en niet Bosboom Toussaint, wel Multatulien niet Busken Huet. Dat de 19de-eeuwse jongelui Perk, Kloos en Van Deysselblijkbaar nog niet meetelden, lag natuurlijk voor de hand. Canons gaanaltijd langzaam met hun tijd mee.

Wie had de selectie gemaakt, en als daar al criteria bij warenaangelegd, welke dan? Er waren drie gerenommeerde uitgevers bij deonderneming betrokken: A.W. Sijthoff, Van Holkema & Warendorf enElsevier. Het zou wel eens kunnen zijn dat die drie, gezien een gunstigeconomisch tij, een toegenomen leesdichtheid en een snel groeiendeserie-mode, op een dag samen slim hebben bedacht dat ze auteurs diejarenlang goed waren verkocht (maar die nu óf al dood waren óf alstokoud) nog eenmaal via zo'n Bibliotheek aan de man konden brengen.

In de reclamecampagne zijn nog speciale eikenhouten kastjes aangebodenwaar de zeventig deeltjes precies in pasten. Die zien er op oudeadvertentie-flyers symbolisch uit: als een kist waarin de heleletterkundige eeuw (Multatuli en De Schoolmeester daargelaten) in éénklap toch nog profijtelijk ter aarde besteld kon worden.

Heb ik mijn vader of mijn moeder ooit nog wel eens naar een deeltje TerHaar, Van Zeggelen, J.J. Cremer of zelfs maar naar de vriendelijke Genestetzien grijpen?

Snel en goedkoop uitgeverswerk moet het zijn geweest. De kopij lagklaar, auteursrechten (dus royalty's) waren nog niet aan de orde, aan éénbloemrijk bandontwerp hadden de heren genoeg gehad, en van het grauwepapier waren ze ook niet armer geworden. Een los deeltje kostte een halvegulden. Bij een maandelijke aanbetaling van ' 2,25 had de klant na eenjaar alle zeventig titels in huis.

Om al die redenen is er op het eerste gezicht nauwelijks vergelijkmogelijk met de Deltareeks die in 1998 van start ging, en die intussen metDe historie vanden vier Heemskindere (volgens de Middelnederlandse oertekstvan 1508) aan z'n 20ste deel toe is.

Er zit een eeuw tussen. De vijftig cents van toen zijn de minimaaltwintig en maximaal veertig euro van nu geworden. Maar de nieuwe bandenzijn dan ook strak en voornaam, geen tulpenbollen of andere Hollandsefolklore aan de buitenkant. Men heeft smaakvolle en functionelestofomslagen laten ontwerpen. Op vormgeving en papier is niks beknibbeld.En wat misschien het allerbelangrijkste is: elke uitgave is ingeleid engeredigeerd door editeurs die hun literaire, filologische of tekstkritischevak beheersen, en wier bijdragen kostbare meerwaarde betekenen.

De Deltareeks, die wordt gedragen door inmiddels tien literaireuitgevers, en die royaal overheidssteun geniet via het Nederlands LiterairProductie- en Vertalingenfonds, noemt zichzelf 'de canon van de literatuurder Lage Landen'.

Daar is de canon weer.

Dank zij die nadrukkelijke doelstelling mag de reeks ook eerder wordenvergeleken met de Bibliotheek der Nederlandse Letteren die vlak voor deTweede Wereldoorlog begon te verschijnen, dan met de zeegroene rij op deéén meter vijfendertig lange plank in mijn ouderlijk huis. Een voorgangerniet van een eeuw, maar van een halve eeuw geleden.

De Bibliotheek der Nederlandse Letteren, een initiatief van deMaatschappij der Nederlandsche Letteren en de Koninklijke VlaamscheAkademie, was ondergebracht bij één uitgever: Elsevier. De uitgavenonderscheidden zich door even doelmatige als mooie beige linnen banden, meteen donkerbruine leren rug. Ze kwamen van de persen in een tempo waaraanze bij de Deltareeks voorlopig niet lijken te kunnen tippen. Daar zijn meteen gemiddelde van nog geen drie per jaar sinds 1998 twintig delenuitgekomen. Tussen 1940 en 1943 - het (bezettings)jaar waarin het projectmoest worden gestaakt - verschenen in de letterenbibliotheek 25 delen.

Net als bij de Deltareeks, waar de keuzes worden bepaald door eenstichtingsbestuur, werkten ze in 1940 met een (zevenkoppige)redactiecommissie, waarin neerlandici zitting hadden als Jan de Vries ende Leuvense literatuurhistoricus Jozef van Mierlo, maar ook een dichter alsP.N. van Eyck. En ook in 1940 was elk deel ingeleid, geredigeerd engeannoteerd door taal- of literatuurwetenschappers.

Het was werkelijk een schitterend project dat, nog maar net op weg,jammer genoeg alweer moest stoppen, en waar de vaart toen kennelijk ookmeteen voorgoed uit was, want een naoorlogse herstart is wel geprobeerd,maar nooit gelukt. Middeleeuwse ridderverhalen, protestantse poëzie uitde 16de en 17de eeuw, Hadewych, Vondel, Bredero, Bilderdijk, Staring,teksten van Tachtigers (gekozen en toegelicht door de net in Amsterdambenoemde hoogleraar Donkersloot) en de Mei van Gorter behoorden tot deeerste van de 25 en representeerden onmiskenbaar het klassiekenrepertoiredat canon heet.

Hoe zouden de 'Pleiadisten' van de jaren veertig van de vorige eeuw datrepertoire hebben aangevuld en voltooid? Aan hun titels kun je zien dat de19de eeuw voor hen al grotendeels had afgedaan. Met uitgaven vanBilderdijk, Drost, Van Limburg Brouwer en Willem van Haren was het accentopvallend verlegd naar de late 18de eeuw, en typerend genoeg waren BuskenHuet en Bakhuizen van den Brink, tot de reeks stopte, de enige uitverkorenauteurs van de 19de. Multatuli zou ongetwijfeld nog aan bod zijn gekomen.Maar je kunt er donder op zeggen dat dominee Bernard ter Haar en de altijdgoedgehumeurde Amsterdamse sigarenfabrikant Justus van Maurik geen schijnvan kans meer hadden gemaakt.

Die hoeven ook van de Deltareeks geen eerherstel te verwachten. Hetstichtingsbestuur - zelf niet helemaal tevreden met het tragevoortgangstempo - heeft z'n wensen in ieder geval tot het jaar 2011 al oppapier, en op die verlanglijst (vijf à zes titels per jaar) komen'slechts' drie 19de-eeuwers voor: De Genestet (Leekedichtjes), BosboomToussaint (Majoor Frans) en De Schoolmeester (Gedichten). Waarmee decanon-cesuur met honderd jaar geleden zich vooralsnog definitief lijkt tehebben voltrokken.

Nog vijf jaar, dan kan ik een plank van naar schatting één meterzestig laten zagen om de dan 45 klassieke Delta's ordelijk bij mekaar tezetten. Als ik het haal natuurlijk. En als zij het bij Delta halen. Maarstel.

Zullen mijn kinderen en kleinkinderen mij dan ooit nog wel eens naar eendeel Anna Bijns, of een deel Wolff & Deken, of een deel Arthur vanSchendel zien grijpen?

Er is iets eigenaardigs of iets dubbel-ops aan de reeksen die we nu allanger dan een eeuw koesteren. Van de tot dusver verschenen twintigDeltatitels was er niet één die ik niet al in de kast had staan. Minderkloek meestal, zonder hooggekwalificeerde in- of uitleiding misschien, enniet in een 'diplomatische' teksteditie, maar toch.

Mogelijk ben ik niet representatief in die dingen, maar van de kast vanmijn ouders herinner ik me ook dat er wel drie Camera Obscura's in stonden,en zeker twee Max Havelaren, en dat er naast de poëzie uit dezeventigdelige zeegroene Bibliotheek minstens drie of vier afzonderlijkedichtbundeltjes van Beets aanwezig waren. Boeken gooi je tenslotte nietweg. Boeken maakten vroeger, afgezien van hun functie als nuttige,aangename en geestverruimende artikelen, ook gewoon deel uit van hetmeubilair. Die aparte eikenhouten kastjes waar je reeksen in kon opbergenwáren niet zo gek.

Wie van boeken houdt, houdt vanzelf van stevige, met zorg en liefdegemaakte, aaibare boeken. Maar ik was als aankomende lezer heel gelukkigmet de firma Reclam in Leipzig (god hebbe haar literaire ziel), die vooreen kwartje per stuk in snel verfomfaaide schriftjes de hele Duitseliteratuur in voorraad had. Zoals ik onmiddellijk na de oorlog heeltevreden was met de liberty-schepen die uit de Verenigde Staten inpocketvorm de hele Amerikaanse romanproductie van het interbellumaanvoerden, ofschoon mijn vader - mede vanwege de ordinaire tekeningen opde plastic omslag - hoofdschuddend vond dat het niet op boeken, laat staanop literatuur leek.

Voor wie zijn de prachtbanden van de Deltareeks bedoeld? 'Voor lezersmet een brede literaire belangstelling, die kennis willen nemen van derijke literaire erfenis van Nederland en Vlaanderen.' En om verantwoord tezijn, en de leek toch niet af te schrikken, is het enigszins hybride begrip'leesedities' uitgevonden, die 'niet zijn overladen met wetenschappelijkcommentaar, maar wel beantwoorden aan wetenschappelijke normen'.

Het doet me veel genoegen om in de boekhandel te bladeren door de voorhet onderwijs bestemde Tekst in context-reeks, of door simpel uitgegeven Beatrijzen, Esmoreiten en Lanseloeten van de T & T Klassieken. Allemaalfleurige, ongebonden varianten van de nogal grijze middeleeuwsetekstedities die in mijn tijd verschenen bij de later nog door Kluweropgeslokte W.E.J. Tjeenk Willink in Zwolle. M'n oude schoolexemplaar vande Vier Heemskinderen leek me niet al te overladen met wetenschappelijkcommentaar, en toch wel aardig in de buurt gebleven van dewetenschappelijke normen.

Hoe lang blijft de Deltareeks er haar forse delen naast zetten? Ik hooplang: de extra plank van één meter zestig lokt. En anders moet er in hetmidden van de 21ste eeuw liefst een nieuw serie-initiatief komen waaraanhet nageslacht kan aflezen hoe snel of hoe langzaam de canon met z'n tijdis meegegaan.

Meer over