Buizen klinken mooier

Han Nuijten, technicus bij Bullit Sound Studios in Nederhort den Berg, weet het zeker: versterkers met buizen produceren een mooier geluid dan dezelfde apparatuur met transistors....

Eric Hendriks

En dat terwijl buizen iets van vroeger zijn, iets uit de jaren veertig bijvoorbeeld, toen radio's en versterkers er nog mee waren uitgerust. De buizen leken echter uit te sterven, omdat hun functie - versterking van het signaal - werd overgenomen door de transistor. Maar zie: menige professional en particulier zweert inmiddels weer bij buizenapparatuur. Vanwege dat fraaie geluid.

Maar ís buizengeluid ook mooier en hoe stel je dat vast? En áls het waar is, waar zit hem dat dan in?

Begin jaren zeventig lieten Amerikaanse onderzoekers een panel van proefpersonen in een studio luisteren naar muziek uit drie types apparatuur: met transistors, gemengd transistors/buizen en buizen alleen. Zodra het geluid zo hard klonk dat (geringe, onhoorbare) vervorming optrad, was de muziek uit de buizenapparatuur mooier, vond het panel. Bleef het volume lager, dan hoorden de proefpersonen geen verschil.

Dat heeft te maken met de boventonen, luidde de theorie van de onderzoekers. Een toon van een muziekstuk klinkt vaak niet alleen op zichzelf, maar tegelijk met een serie tonen erboven. Deze boventonen staan op regelmatige afstanden van de 'echte' toon - de grondtoon - en van elkaar. Zo is de eerste boventoon (die de 'tweede' heet) een vol octaaf hoger dan de grondtoon. De 'derde' zit daar een kwint - afstand tussen vijf tonen - boven; de 'vierde' is twee octaven hoger dan de grondtoon.

De boventonen zijn niet bewust hoorbaar, maar toch belangrijk voor de klankkleur. De oneven boventonen (de derde, de vijfde) - in versterkerkringen de 'oneven harmonischen' genoemd - geven het geluid een 'bedekte' klank mee, de even (tweede, vierde, zesde) staan voor een 'vol' geluid, zo luidt de omschrijving van de onderzoekers. Transistorapparaten brengen vooral oneven boventonen voort en buizenversterkers even. Vandaar dat warmere geluid van de laatste.

Maar dat vindt prof. dr. Aad Houtsma, hoogleraar akoestiek aan de Technische Universiteit Eindhoven, een te simpel verhaal. Er is niet per definitie een klankverschil tussen buis- en transistorapparatuur, zegt hij. Buizenversterkers produceren inderdaad relatief veel even boventonen, maar dat betekent niet dat het geluid daardoor warmer wordt. Veel hangt af van het ontwerp van de versterker als geheel. Bovendien vervormen de luidsprekers en de oren ook mee. Voornamelijk 'fanaten' denken - 'vanuit een stukje nostalgie' - dat buizen in de apparatuur per definitie beter zijn, aldus Houtsma.

Toch noemt ook hij een verschil. 'Veel muziekinstrumenten produceren een vollere klank als ze harder worden aangeslagen of -geblazen. Musici, gitaristen bijvoorbeeld, willen dat de apparatuur dit geluid natuurgetrouw reproduceert. Dat betekent dat de vervorming alleen geleidelijk mag toenemen. Buizenversterkers realiseren dat beter dan transistorapparaten, in het algemeen gesproken. Die laatste hebben de neiging plotseling veel onaangenaam klinkende vervorming voort te brengen en daar houden musici niet van. Maar met de juiste componenten is ook met transistors apparatuur te bouwen die die geleidelijkheid produceert.'

Meer over