Bruusk einde in knusse tekenstijl

Met een autobiografische roman over de zelfdoding van zijn zoon betrad Willy Linthout het domein van de serieuze strip. Vorige maand kreeg de Urbanus-tekenaar daarvoor de Bronzen Adhemar, de belangrijkste stripprijs van Vlaanderen, uitgereikt....

Een man leest de krant en zegt tegen zijn stofzuigende vrouw: ‘De aandelen van Biotechnic zijn gezakt. We hadden beter in iets anders belegd!’ Dan gaat de bel, er staan agenten voor de deur. ‘Mogen we even binnenkomen? We hebben slecht nieuws. Uw zoon is van het dak gesprongen!’

Zo begint de autobiografische striproman Jaren van de olifant van de Vlaamse tekenaar Willy Linthout (1953), die zijn rouw om de zelfdoding van zijn zoon omzette in tekeningen. Om niet ‘de dieperik’ in te gaan, zoals hij het noemt.

Hij was wel huiverig voor de reacties in stripkringen, want het lag bepaald niet voor de hand dat uitgerekend hij zo’n zwaar thema zou kiezen. Linthout tekent vanouds de humorstrip Urbanus in een gezellige, Vlaamse stijl. Na de dood van zijn zoon nam hij de radicale beslissing om Jaren van de olifant te tekenen in diezelfde knusse Urbanus-stijl, maar dan wel helemaal in potlood, zonder inkt en verf – onaf dus.

Daarvoor heeft hij een simpele verklaring: ‘Sams leven is ook onafgewerkt. Het is bruut en bruusk geëindigd.’

Door alle stress die het rouwproces met zich meebracht, ontwikkelde Linthout een kwaal die slaapapneu wordt genoemd. Hij werd ‘150 keer per uur wakker’ en was de hele dag doodmoe. Zijn arts wist maar één remedie: voortaan naar bed met een Continuous Positive Airway Pressure-machine, een apparaat dat lucht naar binnenpompt via een slang en een plastic mondkapje. ‘Je lijkt wel een olifant!’ riep zijn vrouw en zo kreeg het boek zijn titel.

Linthout had over zijn verdriet ook een ‘gewoon’ boek kunnen schrijven, maar vond dat te afstandelijk. Toen hij net begonnen was, zei hij daarover tegen een Vlaamse krant: ‘Ik zag de boeken van mijn vrouw over rouwverwerking, daar zijn er al zoveel van. Toen dacht ik: laat ik maar doen wat in mij zit en een strip maken, een mengeling van fantasie en realiteit. Louter en alleen vertellen wat er gebeurd is, zou me slecht afgaan.’

Dat hij als alcoholist ronddreef in het riool is bijvoorbeeld fictief, dat zijn huwelijk bijna op de klippen liep, is echt.

Nu de acht deeltjes zijn gebundeld tot één kloeke striproman kijkt hij anders tegen het realistische gehalte aan: ‘In Jaren van de olifant komt geen enkele fictieve passage voor, het is allemaal echt gebeurd, maar ik heb er wel steeds ‘iets’ mee gedaan. Ik heb eraan geprutst en verdraaid en omgekeerd, ermee gefantaseerd.

‘Natuurlijk zou het mogelijk zijn de periode te beschrijven zoals ze was. Dat zou echter om verschillende redenen onverstandig geweest zijn. Als je iets kent van therapie, dan weet je dat daar ook altijd met ‘beelden’ gewerkt wordt, en niet met rechtstreekse gebeurtenissen. Of in elk geval heel weinig. Het boek is mijn eigen therapie. Verder ben ik stripmaker, ik wou dat de strip leesbaar was voor de lezer, het moest wel een strip blijven.’

Linthout zat soms huilend aan zijn tekentafel. Toch voelde hij zich onder het tekenen ‘bijna altijd ontzettend goed’. ‘Omdat ik dan het gevoel heb dat ik dichter bij mijn zoon kom. Ik voel dat dit het werk van mijn leven is.’

Klaarblijkelijk dacht de buitenwacht er precies zo over, want een maand geleden kreeg Linthout de Bronzen Adhemar uitgereikt, Vlaanderens belangrijkste stripprijs. En er zijn vertalingen verschenen in het Engels en het Spaans. Wannes – zoals zoon Sam in het boek heet – is niet voor niets gestorven.

Na zijn magnum opus tekende Linthout deel 136 van de Urbanus-reeks, De Killerkok, dat pure lolbroekerij is, maar thematisch nauw aansluit bij de striproman Jaren van de olifant.

De synopsis van de strip: ‘De familie Urbanus verkeert in diepe rouw: nadat Cesar is overleden aan zijn tabaksverslaving, probeert zijn ziel uit alle macht zijn lichaam te verlaten. Terwijl Urbanus de ziel van Cesar probeert tegen te houden, wordt Eufrazie hopeloos verliefd op een stripfiguur die beweert Guust Flater te zijn.’

Ernst afgewisseld met luim, maar met rouw als rode draad. Heeft de reeks over het verlies van zijn zoon zijn Urbanuswerk beinvloed?

‘Op geen enkele manier! Het is voor mij niet raar om aan De Killerkok te werken, of aan eender welke Urbanusstrip. Dat is gewoon een ander luikje van mezelf dat ik opentrek.

‘Wat ik hierna nog ga doen, is ook voor mij een raadsel. Ik ga wel iets meer blijven doen dan enkel Urbanus, maar of dat strips worden? Ik denk aan een film van Jaren van de Olifant. Ik denk er ook aan om er een soort theaterstuk van te maken en de culturele centra langs te trekken. We zien wel.’

Duidelijk is in elk geval dat Linthout voorlopig nog even doorgaat op het pad van de serieuze strip. ‘Het boek waar ik nu aan werk, vertelt het waargebeurde verhaal van een moeder die haar gehandicapte kind verliest. Daarna krijgt ze zelf kanker en ook nog de ongeneesbare ziekte lupus.

‘Ik heb bijzonder veel bewondering voor deze dame: niettegenstaande de drama’s die haar leven overschaduwen, is zij een van de vrolijkste mensen die ik ken. De manier waarop ze probeert te overleven, is zeer bewonderenswaardig. Het verhaal drong zich op, ik kan niet anders dan dit boek maken. Het heeft als werktitel ‘De leveling’. We zijn allemaal stervelingen. Deze mevrouw heeft echter zoveel positieve levenskracht in zich dat ze geen sterveling is, ze is een leveling.’

Meer over