BRODEN BEPLAKT MET LAPPEN TEKST

Meeslepend is niet de eerste term die je te binnen schiet bij Een tuitje in de aardkorst. Maar er is geen liefhebber in wiens oudemuziekkast dit Nieuwe Testament mag ontbreken....

Roland de Beer

Een tuitje in de aardkorst, zo heet Jolande van der Klis’ jongste verslag van de oudemuziekcultuur in Nederland. Het tuitje (tuytjen?) komt niet uit Valerius’ Gedenck-Clanck, noch uit de liedcollecties van de groep Camerata Trajectina. Het blijkt afkomstig uit een beeldspraak van de man die in Van der Klis’ ‘kroniek van de oude muziek 1976-2006’ de hoofdrol speelt, hoewel hij zelden zong of een snaar beroerde.

Frans de Ruiter. Oprichter van het Festival Oude Muziek Utrecht. Hoogleraar nu in Leiden en Den Haag, maar in zijn diepste wezen vooral aanpakker en handige bliksem. Het boek waaraan hij de titel verleende door de Oude Muziek in Utrecht te vergelijken met een opening in het aardoppervlak ‘waar je je oor op kunt leggen om terug te reizen naar vroeger eeuwen’, dat boek gaat vooral over organisaties. Meer dan over muziek.

Dit klinkt saaier dan het is. Meeslepend is niet de eerste term die je te binnen schiet bij het lezen van Van der Klis’ 576 pagina’s lange vervolg op haar vorige boek, Oude Muziek in Nederland (over de daden van vroege oudemuziekprofeten). Maar er is geen liefhebber in wiens oudemuziekkast dit Nieuwe Testament mag ontbreken.

Neem het uur U waarin ‘Oude Muziek Utrecht’ ontkiemt: Ludus Danielis, een middeleeuws kerstspel rond Daniël in de leeuwenkuil. Het wordt anno 1970 opgevoerd door Utrechtse studenten, onder wie De Ruiter. De KRO-radio is erbij. Lastig zijn de lange Latijnse coupletten. Speren en lansen worden beplakt met lappen tekst. De Ruiter heeft er niets aan, omdat zijn bril af moet van de regie. Leeuwen in de kuil (zangers, onder wie de latere directeur van de beiaardschool) treffen het beter. Zij krijgen hun tekst geplakt op een brood toegeworpen.

Levende musicologie. Latere studentenproducties maken van De Ruiter een producent. De producent wordt medewerker van het Holland Festival, en directeur van dat festival. Als spin-off volgt op pagina 71 het eerste Holland Festival Oude Muziek, gemodelleerd naar een ‘Pratum Musicum’-initiatief dat zich in 1981 in Utrecht afspeelde (het boek zit vol stichtingen en overlegorganen als STIMU, COMU, Pratum en OOM).

Op pagina 102 is De Ruiter conservatoriumdirecteur in Den Haag. Op pagina 276 schuift hij als nieuwe festivalleider een Britse stoethaspel naar voren (Simon Mundy, De Ruiters grootste vergissing), die op pagina 310 alweer wordt opgevolgd door een collega-brekebeen, Casper Vogel. Dat het festival zijn continuïteit heeft kunnen behouden, is dan ook te danken aan een tweede hoofdpersoon. Jan Nuchelmans. Medeoprichter, langjarig themaprogrammeur, (‘van Machaut tot de dood van Dufay’), en buiten-de-deurhouder van eigentijdse types als Kagel en Reich; dit laatste tot ergernis van de rekkelijker De Ruiter.

Van der Klis’ kroniek is ook het verhaal van de Utrechter Louis Grijp, Trajectina-luitist en vorser van het oud-Hollandse lied, wiens databank door het hele boek heen almaar voller wordt. En ze heeft aandacht voor het buiten-Utrechtse perspectief: Pierre Audi en Monteverdi, Chailly en de Matthäus, de bekering van Ronald Brautigam tot de fortepiano, de bekering van Maarten ’t Hart tot Ton Koopman. Onoplosbare conflicten over tempo, vibrato en rubato maken er een waardig leesboek van. Wel navrant: de beweging leidde tot hoogleraarschappen van De Ruiter, Nuchelmans, Grijp, Koopman. Maar de Nachwuchs aan Nederlandse oudemuziekspelers is gering.

Meer over