Brahms, Joachim: vioolconcerten

Sprookjeshuwelijk met sleur * * *

Guido van Oorschot

Zijn honderdste sterfjaar is bijna onopgemerkt gepasseerd. Joseph Joachim: hij was de trapezewerker aan wie Schumann, Dvorák, Bruch en Brahms hun vioolconcerten hebben opgedragen. Toen hij in de zomer van 1907 in Berlijn op sterven lag, hield de New York Times zijn lezers dagelijks op de hoogte. Zes paarden trokken Joachims lijkkoets naar de Kaiser-Wilhelm-Gedächtnis-Kirche, gevolgd door een stoet rijtuigen zo ver het oog kon zien.
Hij was beroemd, de Hongaarse jood die op latere leeftijd lutheraan werd - wat niet verhinderde dat de nazi's hem tot de entartete kunstenaars rekenden. Via zijn ster-leerling Leopold Auer kwam Joachims violistiek terecht bij 20ste-eeuwse reuzen als Jascha Heifetz en Nathan Milstein.

Joachim praatte componisten graag bij over de valkuilen van zijn instrument - Brahms voer blind op hem - en hij nam af en toe ook zelf de pen ter hand. Hij schreef drie vioolconcerten, waarvan vooral het Tweede geregeld opduikt. Bijvoorbeeld bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, in december 2007.

De solist van toen, Christian Tetzlaff, heeft de concerten van Brahms en Joachim met het Deens Nationaal Symfonieorkest en dirigent Thomas Dausgaard nu op één cd gezet.

Bijnaam van Joachims Tweede: 'op Hongaarse wijze'. Inderdaad komen er sappige zigeunertonen voorbij. Maar als het ideale soloconcert een sprookjeshuwelijk is tussen bravoure en inventie, lijdt dat van Joachim aan sleur. Hij zet de technische standaard hoog - zelfs de handige Tetzlaff komt er niet ongeschonden door - maar vindt zelden een klank die zijn componistenvrienden niet allang hadden op-gedolven.

Als violist was Joachim een specialist van de virtuoze apotheose. Zo bezien stelt de over drie minuten uitgesmeerde solocadens van het openingsdeel licht teleur.

Meer over