Recensie

Bowie verrast met jazzy Blackstar

Drummer Mark Guiliana doet een boekje open, nu het eindelijk mag, over de samenwerking met David Bowie voor Blackstar. Spannend, meeslepend en minutieus gearrangeerd, ziehier de loftuitingen voor het 25ste, 'jazzy'album van cultheld David Bowie. Bijna 70.

Beeld x

De meeste mensen ontvangen op hun verjaardag graag cadeautjes, David Bowie deelt liever uit. Zo greep hij zijn 66ste verjaardag (8 januari 2013) aan om volkomen onverwacht een nieuw liedje te presenteren (Where Are We Now?) en een nieuw album, The Next Day, aan te kondigen, zijn eerste in tien jaar tijd.

En nu, drie jaar later, komt van David Bowie, die vrijdag zijn 70ste levensjaar ingaat, zijn vijfentwintigste studio-album Blackstar uit.

Niet dat Bowie er zelf veel woorden aan vuil maakte. Net als drie jaar geleden hult hij zich in stilzwijgen. Op 25 oktober was er ineens een titel en een datum voor de plaat. 20 november verschenen al een nieuwe videoclip en single, ook Blackstar geheten.

Die 20ste november was geen handige datum; op die dag verscheen ook Adele's recordbrekende album 25. Dat was niet de enige reden waarom Blackstar geen hit werd. Het nummer duurt namelijk tien minuten, wat het wereldwijd kansloos maakte op enige radio-airplay, noodzakelijk voor een hitnotering.

Het scoren van hits lijkt echter al jaren geen zorg meer voor Bowie. Wie nog hoopt dat zijn 25ste album teruggrijpt naar het discogeluid van Golden Years of Let's Dance kan Blackstar rustig aan zich voorbij laten gaan: het is een van Bowies experimenteelste platen uit zijn inmiddels bijna vijftigjarige loopbaan.

En waar zelfs 'moeilijke' Bowieplaten als Low en Heroes (beide uit 1977) in Sound And Vision en Heroes nog sterke hitsingles bevatten, lijken op Blackstar zulke radiokandidaten volledig afwezig te zijn. Toch is het ook weer niet zó'n experimentele plaat geworden waar, op grond van de single, alom voor werd gevreesd. Zoals vaker bij goede Bowieplaten is de muziek even wennen, maar al snel blijkt dat het album beter is dan het vorige The Next Day.

Dat laatste was een tamelijk conventionele rockplaat, waarop de verwijzingen naar de jaren zeventig er soms wel erg dik bovenop lagen. Alleen al de hoes: hetzelfde zwart-wit als bij het album Heroes, maar nu met een groot wit vierkant over Bowies gezicht met daarin de titel The Next Day.

Op de hoes van zijn nieuwste plaat staat voor het eerst geen enkele foto van Bowie, noch een titel. We moeten het doen met een grote zwarte ster met daaronder brokjes ster die zo zijn gerangschikt dat je er met enige fantasie de naam Bowie in kunt lezen.

In het songboekje draagt Bowie dezelfde blinddoek als in de sinistere scifi-videoclip die Johan Renck maakte bij het nummer Blackstar. De teksten zijn glanzend zwart op een doffe en, ook al, zwarte achtergrond, wat niet bepaald uitnodigt tot lezen, maar lezen is wel degelijk aan te raden. Want behalve muzikaal is de nieuwe Bowie tekstueel een groot genot. Het album duurt zeven nummers lang en gaandeweg wordt de Bowiefan steeds meer verwend met kleine, weinig opvallende citaten en verwijzingen naar ouder werk.


Wat de ijzersterke plaat een vijfde ster kost, is dat vier van de zeven nummers al bekend waren. Sue (Or In A Season Of Crime) verscheen eind 2014 al op single, met op de b-kant 'Tis A Pity She Was A Whore. Beide nummers zijn nu radicaal anders gearrangeerd, maar toch. Het titelnummer, waarmee de plaat opent, is inmiddels twee maanden oud - al moet gezegd dat het daardoor nog niets aan kracht heeft ingeboet. De tweede 'single' Lazarus verscheen drie weken geleden en werd door Bowie geschreven voor zijn door Ivo van Hove geregisseerde off-Broadway theaterstuk met de gelijknamige titel.

Wetende dat er minstens vijftien nieuwe liedjes zijn opgenomen (zie het interview hieronder met drummer Mark Guiliana) was het fijn geweest als er op het album meer echt nieuwe songs te horen waren geweest. Al was het maar omdat de veertig minuten die de plaat in zijn geheel duurt echt te kort blijkt te zijn.

Want de muziek die David Bowie begin dit jaar opnam in New York, in drie sessies en waarbij vier echte jazzmuzikanten meespeelden onder leiding van saxofonist Donny McCaslin, klinkt even spannend als meeslepend. En is minutieus gearrangeerd. 'Echte' jazz is niet de juiste benaming, maar Bowie heeft er beslist goed aan gedaan zijn oude band te vervangen. Die klonk toch te vaak als een rockband die 'iets moeilijks' wilde proberen. Nu laat Bowie een jazzband volledig zichzelf zijn, in soms bijna abstract aandoende composities waarmee de muzikanten geen enkele moeite lijken te hebben.

De Volkskrant loopt het album even met u door.

Donny McCaslin

David Bowie kwam de jazzband van Donny McCaslin, die hem begeleidt op Blackstar, op het spoor dankzij Maria Schneider. Bowie is al jaren bevriend met deze orkestleider/arrangeur en vroeg haar met orkest in 2014 voor het nummer Sue (Or In A Season Of Crime). Ze raadde hem toen aan eens naar de band van haar tenorsaxofonist Donny McCaslin te luisteren.

Het album Casting For Gravity (2012), waarop ook toetsenist Jason Lindner en drummer Mark Guiliana te horen zijn, gaf voor Bowie vervolgens de doorslag.

Blackstar

Meteen zijn daar de dit hele album kenmerkende, nerveus maar tempovast ratelende drums die de plechtige toon van Bowies zang ontregelen. Hij zingt prachtig, met een van Scott Walker geleende bariton. 'In the villa of Ormen/stands a solitary candle', begint het mysterieuze nummer, dat eigenlijk in twee delen uiteenvalt. De sputterende sax van Donny McCaslin voert het nummer halverwege naar een nieuwe melodie waarin Bowie een ander stemgeluid laat horen. 'I'm not a filmstar, I'm not a popstar, I'm a blackstar.'

'Tis A Pity She Was A Whore

Gortdroge, harde klappen op de bekkens, zoals ook al te horen waren op de demo van dit liedje die David Bowie eind 2014 uitbracht als b-kant op de op 10-inch formaat uitgebrachte single van Sue (Or In A Season Of Crime). De nieuwe versie wint vooral aan dynamiek. Een mooi koortje, en jazzy pianoakkoorden van Jason Lindner maken het onderscheid. En Donny McCaslin speelt uiteraard een stuk beter sax dan David Bowie zelf op de demo.

Lazarus

Bowie speelt zelf de repeterende, aan The Cure refererende noten op elektrische gitaar. In het trage, langzaam naar een climax (weer die sax!) voerende liedje kruipt hij in de huid van Thomas Newton, de protagonist in Bowies theatervoorstelling Lazarus. Een vervolg op Walter Tevis' The Man Who Fell To Earth, dat in 1976 door Nicolas Roeg werd verfilmd met Bowie in de hoofdrol.

Sue (Or in A Season Of Crime)

Alles begon anderhalf jaar geleden met dit liedje. Bowie ging ervoor de samenwerking aan met het orkest van bandleider/arrangeur Maria Schneider. De bigbandsound is in de nieuwe versie goeddeels vervangen door de elektrische gitaar van Ben Monder en onheilspellende synths en breakbeat-drums. Anders, vooral donkerder dan het orgineel. Maar niet minder intrigerend. Schneider zou Bowie attenderen op de band van 'haar' saxofonist Donny McCaslin, maar zelf geen bijdrage aan Blackstar leveren.

Girl Loves Me

Na de vier 'bekende' en experimenteler klinkende nummers, volgen nu drie conventionelere liedjes. Girl Loves Me is een ritmisch wat hortend en stotend liedje waarin de synths van Jason Lindner prominent aanwezig zijn. In de tekst duiken flarden Nadset op, de taal die Anthony Burgess in zijn A Clockwork Orange (1962) bedacht voor protagonist Alex. Bowie verwees er in 1972 al eerder naar, in het liedje Suffragette City.

Dollar Days

Mooi, klein liedje met stroperige sax en een pianowijsje; verwijst naar Bowie's eigen Sweet Thing van het album Diamond Dogs (1974). Veelzeggend is de regel: 'If I never see the English Evergreens I'm running to/It's nothing to me'. Die zien we niet meer terug, denken we dan. Hij blijft, verscholen voor de buitenwereld, in New York en roept wanneer hij klaar is voor een nieuwe plaat producer Tony Visconti bij zich (ze werken al samen sinds 1969).

I Can't Give Everything Away

Dollar Days gaat naadloos over in het slotnummer. Maar waar kennen we die synths en dat harmonicastukje ook alweer van? Uit A New Career In A New Town van het album Low. Hier mondt het uit in een prettig popliedje, gedrenkt in elektronica. Bowie zingt het bijna croonerachtig, zoals hij in 1976 Wild Is The Wind zong. In het boekje zien we, bijna op de laatste bladzijde, eindelijk zijn gezicht. Van de zijkant. 'I can't give everything away' zijn de woorden waarmee hij de luisteraar in een opgewekte staat van verwarring achter laat.


Mark Giuliana over Blackstar

Drummer Mark Guiliana doet een boekje open, nu het eindelijk mag, over de samenwerking met David Bowie voor Blackstar.

Mark Guiliana geldt sinds kort als een van de veelzijdigste en technisch begaafdste drummers uit de jazz. Vanuit New York opereert hij met zowel een akoestisch kwartet als zijn elektronische band Beat Music. Met beide bands maakte hij vorig jaar ook in Nederland veel indruk, zoals in december toen hij met Beat Music speelde op het Haagse State-X New Forms festival. Ook Jason Lindner deed mee. De toetsenist die net als Guiliana prominent aanwezig is op het nieuwe album van David Bowie.

Guiliana: 'Ik mag er pas sinds een paar weken over praten. David had als enige eis dat we nooit iets over de samenwerking naar buiten zouden brengen.

'Het begon met Maria Schneider. Ik deed mee met haar orkest op de single Sue, en David wilde meer. Hij kwam op een avond naar Donny McCaslins band kijken, waarin Jason en ik speelden. Dat was in de New Yorkse 55 Bar. Het ging toen allemaal rap.

Drummer Mark Guiliana vertelt over zijn samenwerking met David Bowie.Beeld Deneka Peniston, 2014

'Begin januari kwamen we voor het eerst samen in Bowies eigen studio. Donny, Jason, Tim Lefebvre, de bassist, ik en natuurlijk David met producer Tony Visconti.

'De sfeer was meteen zo goed en ongedwongen. Het is echt moeilijk om het in een studio gezellig te hebben, maar David was daar zo handig in. Het voelde meteen vertrouwd. Hij wilde ons steeds allemaal samen laten spelen, als de band die hij in de 55 Bar had gezien.

We kregen vooraf demo's te beluisteren en gingen daar in de studio mee aan de slag. Iedere avond nam David de opnamen mee naar huis om alles terug te luisteren.

'Zo ging dat in drie sessies van een week. De laatste sessie, in maart, kwam Donny's gitarist Ben Monder er ook bij, die zorgde voor behoorlijk wat ontregeling, maar dat beviel wel. Ik vond David erudiet, hij citeerde voortdurend schrijvers maar niet opschepperig. Hij kent zo veel muziek, en had ook onze platen goed bestudeerd. Hij wist wat we konden, maar daagde ook uit. Probeer eens wat anders, zei hij dan. En waar je altijd twijfelt als je iets voor het eerst doet, wist hij het meteen. 'Nee, laat maar, wordt niks' of 'ja, geweldig, ga door', er zat niks tussen.

'Ik ben inmiddels best jaloers op jullie, want ik heb de plaat nog niet gehoord. Zeven nummers zeg je? Dat is nog niet de helft van wat we hebben opgenomen. Nee, toezeggingen voor een nieuwe plaat heeft hij nog niet gedaan. Wel heb ik hem een keer heel hard NO horen zeggen. Maar dat was een antwoord op de vraag of hij nog het podium op wilde.'

Meer over