'Bouwen en maken kunnen ze hier als de beste'

Om Nederlandse ontwerpers in het buitenland te steunen, financieren drie ministeries de Dutch Design Fashion and Architecture. Die richt nu in Shanghai een eerste werkplek in, niet ver van het net geopende Dutch Culture Centre....

Door Jeroen Junte

Met luid getoeter draait een vrachtwagen vanaf de drukke straat vol taxi’s en fietsers de bouwplaats op. Werklui springen weg in het betonnen geraamte – uit veel meer bestaat dit kantoorgebouw nog niet. Stalen platen voorkomen dat de tientonner wegzakt in de modderige bouwgrond. De bovenliggende etages zijn amper meer dan grove betonvloeren, kale plafonds bedekt met luchtafvoerpijpen en losse elektriciteitsnoeren en muren met vierkante gaten in plaats van ramen. Niet voor te stellen dat over amper twee maanden in dit kantoorgebouw in Shanghai de computers zoemen en telefoons rinkelen van Nederlandse architecten en vormgevers.

Toch zal deze Dutch Design Workspace nog voor de zomer operabel zijn. ‘De nabijgelegen metrolijn werd onlangs twee maanden vóór de geplande datum opgeleverd’, verzekert projectleider Giel Groothuis. En waarschijnlijk nog binnen het budget ook. Want, als we Groothuis moeten geloven, zo gaat dat in Shanghai. ‘Een crisis? Daar hebben we hier weinig van gemerkt. De productie van gebouwen en gebruiksvoorwerpen moet het tempo bijbenen waarin de Chinese economie groeit.’ Waarmee hij meteen ook het belang onderstreept van een werkplek waar Nederlandse architecten en ontwerpers een zachte landing kunnen maken in deze wereldstad.

Volgens Groothuis, die zich vijf jaar geleden in Shanghai vestigde als architect, is er één belangrijke voorwaarde voor een succesvolle start in China: je moet er daadwerkelijk zijn gevestigd. ‘Er liggen hier niet alleen kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven maar ook voor onze creatieve industrie. Bouwen en maken kunnen ze hier als de beste. Nu willen ze de stap maken van made in China naar created in China. Daarbij kan een belangrijke rol zijn weggelegd voor Nederlandse ontwerpers en architecten. Niet werkeloosheid maar het vinden van gekwalificeerd personeel is hier de grote uitdaging.’

De Workspace is een initiatief van Dutch Design Fashion and Architecture (DutchDFA), een vierjarig overheidsprogramma ter versterking van de internationale positie van de ontwerpindustrie. DutchDFA krijgt jaarlijks 3 miljoen euro van de ministeries van Economische Zaken, Buitenlandse Zaken en OCW; het is voor het eerst dat deze drie ministeries zo nauw samenwerken. Vooralsnog beperkt het programma zich tot activiteiten in China, Duitsland en India. De komende jaren volgen er nog meer Workspaces. Shanghai was de voor de hand liggende locatie voor de eerste gesubsidieerde werkplek voor Nederlandse creatieven in het buitenland. Met zijn havens en bijbehorende industrieën wordt de stad niet voor niets de kop van de draak genoemd. ‘De kansen zijn groot maar de drempels hoog’, zegt Christine de Baan, programmadirecteur van DutchDFA.

Voor de werkplek en het ondersteunende programma is de komende drie jaar gemiddeld 200 duizend euro per jaar vrijgemaakt. Daarna moet het project zich zelf kunnen bedruipen als een blijvend platform voor startende creatieve bedrijven. Met 350 vierkante meter is er ruimte voor dertig werkplekken die elk 250 euro per maand kosten – een koopje, want Shanghai heeft inmiddels een internationaal prijsniveau. ‘Hier kunnen straks drie dependances van Nederlandse architectenbureaus werken maar ook dertig individuele modeontwerpers. We sturen natuurlijk aan op een mix’, zegt De Baan, terwijl ze de kraag van haar jas nog maar eens opzet tegen de gure bries op de bouwplaats. Over de kwaliteit van de deelnemers maakt ze zich geen zorgen. Zo heeft architectenbureau MVRDV al ‘concrete interesse’ getoond. Vast staat dat de deelnemers na drie jaar moeten doorstromen, desnoods terug naar Nederland. ‘Dit is een startpunt, geen eindpunt.’

Dit realisme wordt treffend samengevat door het intimiderende uitzicht vanuit deze voorpost van de Nederlandse creatieve industrie. Zo ver als het oog kan kijken schiet het ene na het andere gebouw de lucht in. De meeste van een meter of honderd maar in de verte ook van driehonderd meter of zelfs nog hoger. Daar, kilometers verderop, ligt het zakelijk centrum van de Chinese miljoenenstad Shanghai. Maar in deze volkse wijk waait op de naastgelegen betonnen woontorens het wasgoed in de wind. Het straatbeeld wordt niet bepaald door luxe warenhuizen maar door neonverlichte eethuisjes en buurtwinkeltjes. ‘Op avonturiers die als vakantie een tijdje in Shanghai willen werken zitten we niet te wachten’, zegt projectleider Groothuis, terwijl hij het bouwstof van zijn jas klopt.

Naast met een werkplek worden de Nederlands ontwerpers ondersteund met juridisch advies en matchmaking met Chinese vakgenoten en opdrachtgevers. Dat netwerken begint al aan het einde van de gang. Het Nederlandse kantoor is gevestigd in een creatief kantoorcomplex, een ‘broedplaats’, vertelt Groothuis. ‘De stadsoverheid heeft er meer dan zeventig gesticht in Shanghai.’ De Nederlanders delen hun verdieping met een Amerikaans-Chinees architectenbureau. ‘Dit vergemakkelijkt het opbouwen van een netwerk in Shanghai.’ Zonder dat netwerk, zo verzekert Groothuis, kun je het hier wel vergeten.

Toch is een werkplek alleen niet voldoende om een duurzaam netwerk op te bouwen, weet De Baan. ‘We moeten ook vertellen waarin Nederlands ontwerp onderscheidend is.’ Het DutchDFA wordt bij dit imago-offensief gesteund door andere overheidsinitiatieven. Deze maand opende in Shanghai het Dutch Culture Centre. Met een budget van ongeveer 3 miljoen euro – opgebouwd uit subsidies en sponsorgelden – is in een half jaar tijd ‘een volwaardig cultureel centrum uit de grond gestampt’, zegt initiatiefnemer Martijn Sanders van de Netherlands-China Arts Foundation (NCAF).

Bedenk een cultureel programma voor de Nederlandse aanwezigheid op de Shanghai Wereldexpo deze zomer, een evenement dat naar verwachting 70 miljoen bezoekers zal trekken – dat was de opdracht die het ministerie van OCW aan Sanders gaf.

Het kwartje viel bij een bezoek aan het Holland Heineken House tijdens de Olympische zomerspelen in Peking in 2008. ‘Een bruisende plek voor allerlei activiteiten’, dat moest het worden. In Shanghai wordt daarvoor uitgeweken naar een voormalige fabriekshal tussen de Pradawinkels en designhotels in de hippe buurt Jing’An.

In dit Dutch Culture Centre worden in het kielzog van de Wereldtentoonstelling de komende zes maanden acht exposities en een groot aantal concerten en theatervoorstellingen georganiseerd. ‘Zo’n wereldtentoonstelling is een wedstrijd tussen landen. Italië vliegt het Scala in, Canada laat het Cirque du Soleil optreden. Maar Nederland heeft als enige een officieel tweede paviljoen. We staan met 1-0 voor.’

‘Het programma wordt samengesteld door onafhankelijke instellingen als het Van Abbe Museum en het Rotterdamse platform voor digitale kunst V2. We tonen uitsluitend kunst die spannend en bevragend is’, aldus Sanders, die zijn sporen in het culturele leven verdiende als directeur van het Concertgebouw en meer recent als bestuursvoorzitter van het Holland Festival.

Je zou kunnen vrezen voor een besloten feestje voor de culturele elite waarbij de Chinese aanwezigheid beperkt blijft tot onbegrijpend knikkende hoogwaardigheidsbekleders, en dat beeld van Nederlands onderonsje is een punt van zorg, beaamt Sanders. ‘Om ons te verzekeren van Chinese bezoekers moeten alle tentoonstellingen en voorstellingen samen met Chinese kunstenaars of instellingen worden uitgevoerd.’

Daarbij moet ook het economisch belang van dit culturele centrum niet worden onderschat. ‘Creatieve disciplines als architectuur en design zijn een belangrijke economische factor. Maar ze worden gevoed door het laboratorium van de vrije kunsten. Die vruchtbare voedingsbodem willen wij hier met China en de rest van de wereld delen. Zo bouwen we een netwerk op. Als het goed is wordt hier een zaadje gepland dat zal uitgroeien tot een bloem.’

Daarom wordt de openingstentoonstelling Taking a stance georganiseerd door het Nederlands Architectinstituut als onderdeel van het DutchDFA programma. Vier iconen van het Dutch design – architect Rem Koolhaas, grafisch ontwerpster Irma Boom, modeontwerper Alexander van Slobbe en productontwerpster Hella Jongerius – zijn gekoppeld aan vier Chinese geestverwanten, waaronder kunstenaar/architect Ai Wei Wei en modeontwerpster Ma Ke, in 2008 onderscheiden door het Prins Claus Fonds.

De eigenzinnige ontwerpen worden niet gepresenteerd op witte sokkels maar in een ruwe stellage van gerecycled hout. De avontuurlijke expositie is samengesteld door een Nederlandse én een Chinese curator. De Baan: ‘We willen laten zien op welke gebieden we kunnen samenwerken en waar we van elkaar kunnen leren. Daarom ook een tentoonstelling waarin vier disciplines uit beide landen worden samengebracht.’

Tegelijkertijd moet de expositie ook de kracht van het Nederlandse ontwerp aantonen. ‘Dat dankt zijn internationale succes aan een analytische, conceptuele en kritische mentaliteit. Juist in een land dat zichzelf in hoog tempo opnieuw uitvindt, is daar behoefte aan.’ Dat mag best wel eens wat meer worden benadrukt, vindt De Baan. ‘Vandaar de keuze voor deze vier iconen van het Duch design.’

Een werkplek, een tijdelijke kunsthal annex concertzaal tijdens de Wereldtentoonstelling, matchmaking, tentoonstellingen, posters door de stad met als klap op de vuurpijl een debat waarvoor Koolhaas himself wordt ingevlogen – kosten noch moeite worden gespaard om de creatieve industrie in China op de kaart te zetten. Maar zit China echt zo te wachten op dat ‘conceptuele, analytische en kritische’ Dutch design?

‘In de avant-garde van Chinese ontwerpers wordt het Nederlandse ontwerp met grote belangstelling gevolgd’, zegt Li Degeng voorzichtig. De Chinese curator van Taking a stance prijst de expressieve en kritische houding. ‘Overal worden vraagtekens bijgezet. Waarom moet een stoel vier poten hebben? Moet een lettertype wel goed leesbaar zijn? Dat resulteert in doordachte en toch speels ontwerpen. Daar kunnen wij van leren. Chinese vormgevers en architecten schikken zich nog volledig naar de eisen van de opdrachtgever.’

Geduld, dat is het devies van Zhou Zhengfang, partner van Studio Dumbar. De vermaarde Rotterdamse ontwerpstudio heeft een filiaal in Shanghai. ‘Voor de gemiddelde Chinese opdrachtgever gaat de aanpak van de Nederlandse ontwerpers nog veel te ver. Vergeet niet, China heeft pas een jaar of vijf het design en architectuur van de wereld ontdekt.’

Maar: Nederlanders kunnen ook van de Chinezen leren, zo merkt hij op. ‘Wij kunnen uitstekend probleemoplossend werken. De planzuchtige Hollanders blokkeren juist wanneer er iets anders loopt dan was voorzien.’

Hoe dan ook, de komende jaren zal het nog vooral pionieren zijn voor de Nederlandse ontwerpers en architecten in China. De lange termijn investeringen van de overheid resulteren niet in keiharde groeicijfers en veelbelovende staafdiagrammen, zegt ook De Baan. ‘Nederland exporteert nu eenmaal geen kant-en-klare producten, maar een mentaliteit. Wat we mee terug nemen is een bruikbaar netwerk.’

Eigenlijk is het nog veel simpeler, meent Groothuis, de projectleider van de Workspace. ‘De hele wereld zit de komende jaren in China. Wegblijven is simpelweg geen optie.’

Meer over