Bodybuilders in de politiek

Misschien heeft Elco Brinkman of Ad Melkert, toen ze nog de gedoodverfde opvolgers waren van Lubbers en Kok, op een morgen ontdekt dat hun neus scheef stond....

Dat had Pim Fortuyn al snel begrepen toen hij als libertijns homoseksueel een pose instudeerde om aan alle uiterlijke tekenen van de leider te voldoen. Brinkman en Melkert deden dat niet. Zij verdwenen van het politieke toneel. Hun uiterlijk sprak de nieuwe kiezers niet aan, hun lichaamstaal was té stroef, té koel en té glad om de al even kleurloze Lubbers of Kok te kunnen opvolgen.

Vitangelo Moscarda, de hoofdpersoon uit Luigi Pirandello’s roman Iemand, niemand en honderdduizend, ontdekte toen hij op een ochtend ongewoon lang voor de spiegel treuzelde dat zijn neus scheef stond. Naar rechts. Misschien stond er nog wel meer scheef. Hoe keken de anderen naar hem? ‘Wat voor samenhang bestaat er tussen mijn ideeën en mijn neus?’, vroeg Moscarda zich af. ‘Volgens de anderen bestaat er zo’n grote samenhang tussen mijn ideeën en mijn neus dat, wanneer bijvoorbeeld mijn ideeën heel serieus zouden zijn en mijn neus een heel grappige vorm had, ze beslist in lachen zouden uitbarsten.’

Elk aspect van het lichaam, zeggen sommige historici, heeft enige betekenis voor de politieke waarnemer, zeker de neus of de oren van iemand die voortdurend in de kijker staat, zoals een politicus, of het nu gaat om omvang, vorm, lengte of kleur. Body history toont aan hoe al sedert de oudheid een soort ‘fy-siognomie van de macht’ bestaat – denk maar aan de biografieën van de Romeinse keizers van Suetonius – en dat elk gebaar, van het priemende vingertje van Joseph Luns tot de groet ‘At your service!’ van Fortuyn, politieke betekenis heeft.

Allang speelt het uiterlijk een belangrijke rol in de politiek, fysieke eigenschappen – sportief, krachtig en gespierd, schoon en gezond, beheerst – zijn in het leiderschap nooit ver weg. Soms is het een verhulling of een masker, soms straalt het authentieke daadkracht uit. In oorlogstijd trachtte de Amerikaanse president Roosevelt op allerlei manieren zijn mankheid te verbloemen; omstreeks de eeuwwisseling had de Duitse keizer een meesterkleermaker in dienst om zijn sinds zijn geboorte mismaakte arm te maskeren. De stoel van de nog geen anderhalve meter hoge Britse koningin Victoria werd tijdens raadsvergaderingen op een verhoginkje gezet; dictator Benito Mussolini – trouwens ook Silvio Berlusconi – liet de hakken en zolen van zijn schoenen verhogen om langer te lijken dan hij was.

In Machtige lichamen – Het vingertje van Luns en andere politieke wapens onderzoekt een aantal Groningse historici hoe belangwekkend voor de politiek de zuidwester was die Hendrik Colijn droeg op verkiezingsaffiches, of het legendarische verkreukelde pak van Joop den Uyl of de Jezuskop van de charismatische socialistenleider Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Ze ontleden de impact van het sportieve imago van Amerikaanse presidenten, van het politiek machtige lichaam van de kleine Britse koningin Victoria en van de kadavers van de Parijse Commune. Het boek, zeggen de samenstellers, ‘is geboren uit het plezier in het vak en de verwondering over eigenaardige verschijnselen in de politiek’. Het leert ons op een andere manier te kijken naar het verleden, dat vaker dan we denken door pruikenmakers, image-builders, plastisch chirurgen, reclamemanagers en andersoortige adviseurs is geboetseerd.

Het gaat om het beeld van de politicus, om de spierkracht die hij of zij vertoont in gebaren of in woorden. Amerikaanse presidenten ontlenen hun populariteit dan ook in eerste instantie aan de manier waarop ze hun beleid communiceren en pas in tweede instantie aan de resultaten. Hun vitaliteit weerspiegelt hun wilskracht; de bodybuilder is in de ogen van de Amerikaanse kiezers misschien wel de geschiktste kandidaat voor de baan van president. Legendarisch is de favoriete uitspraak van Theodore Roosevelt, ‘speak softly and carry a big stick’, die we niet alleen moeten begrijpen in het licht van zijn gewapende vredespolitiek, maar die ook een verwijzing is naar macht en potentie. Ooit had de jonge Roosevelt, een tenger en astmatisch kind met nerveuze aandoeningen, zijn vader beloofd ‘hard te werken aan zijn lichaam’. I'll make my body. Uiterlijk en lichaam zijn wapens in de politieke arena; het succes van een politicus wordt mede bepaald door stemgeluid, presentatie en uitstraling.

Toen de Amerikaanse president in mei 2003 een bezoek bracht aan Irak, stak hij zich in volle gevechtsuitrusting. Maar het mariniersuniform met de aan het onderlijf bevestigde parachute wekte vooral de lachlust op. Critici van diens Irak-beleid maakten allusies op die bobbel. Die accentuering van het presidentiële kruis leidde tot harde maar ook vermakelijke satire.

De met stro of paardenhaar opgevulde gulp of broekklep was in de 16de eeuw niet alleen een modegril maar vooral ook een manier om de viriliteit en de sterkte van het politieke gezag te onderstrepen. Onmiddellijk na de bevalling werden de geslachtsorganen van troonopvolgers gecontroleerd en aan het hof getoond. Het vorstelijk lid was een belangrijk instrument. In Pantagruel laat de Renaissance-auteur Rabelais ergens in het derde boek Panurge de retorische vraag stellen: ‘Is niet de braguette (de gulp of broekklep) het belangrijkste onderdeel van een koninklijke wapenrusting?’ Die raakte steeds gevulder, de vorst etaleerde zijn mannelijkheid als de triomf van de macht.

Zelfs bij de pausen ging het om zulke tekenen van het machtige lichaam. Hun geslachtsdelen werden niet aan een testikeltest onderworpen om na te gaan of de verkozene wel van de mannelijke kunne was, maar veeleer om de viriliteit van de kerkleider aan te tonen, zijn ‘volheid van de macht’. Een pauselijk dignitaris wikte en woog diens testikels, kneep in de pauselijke ballen en riep: pontificalia habet et bene pendentes, dignum est papali coronae, ‘hij heeft de pauselijke delen en ze hangen er goed bij, hij is de pauselijke kroon waardig’. Het onderzoek in de Vaticaanse catacomben was een potsierlijke vertoning, maar maakte deel uit van de gebruiken.

Politiek heeft altijd iets theatraals gehad, de politicus vertolkte een rol, de vorst in groot ornaat, de volksmenner in werkplunje en de oude Drees ‘in zijn gewone doen’. Aan het slot van het boek stelt medesamensteller Henk te Velde de vraag over het pro en contra van ‘lichamelijkheid’ in de vertegenwoordigende politiek. Daar ben je niet voor of tegen, het is er – Te Velde heeft dat een paar jaar geleden zelf nog in zijn rede bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar politieke cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen ten overvloede aangetoond. Misschien was de dodelijke saaiheid en zakelijke afstandelijkheid tegenover het publiek, zei hij, wel het probleem waar Paars in Nederland mee kampte.

Ze zijn als Moscarda, het romanpersonage van Pirandello, die had geleefd zonder ooit na te denken over de vorm van zijn neus. ‘Hij besluit dat zijn voornaamste streven moet zijn: me niet in mezelf zien, maar met mijn eigen ogen door mezelf te worden gezien, alsof ik een ander was.’

Catrien Santing, Henk te Velde en Margrith Wilke (redactie): Machtige lichamen – Het vingertje van Luns en andere politieke wapens. Wereldbibliotheek; 238 pagina’s; ¿ 16,50. ISBN 90 284 2097 5.

Meer over