Blockbusters krikken bezoek op

De museumcollectie is niet meer de grootste publiekstrekker. De belangrijkste troef van een goed scorend museum is de tijdelijke tentoonstelling met een breed maatschappelijk thema....

‘De collectie is de kurk waarop het museum drijft’, vertelde de vorig jaar overleden museumdirecteur Edy de Wilde. De Wilde lanceerde de oneliner om de kracht en waarde van een goed museumbeleid te verklaren – in dit geval van het Van Abbemuseum in Eindhoven, waarover hij tussen 1946 en 1963 het bewind voerde.

De collectie als reddingsboei – de gedachte heerste lange tijd in museaal Nederland. Het vormde in ieder geval de afgelopen twintig jaar hét argument waarmee een verbouwing en uitbreiding van het museumgebouw werd aangekondigd. Een nieuwe vleugel zou de verzameling, die nu veelal ongezien in de kelders stond opgeslagen, weer zichtbaar maken, en het publiek naar het museum lokken.

Wie de bezoekersaantallen over 2005 van de Nederlandse musea overziet, en het kunstaanbod wat daarvoor verantwoordelijk is, komt tot een andere conclusie. De collectie is namelijk helemaal niet de grootste publiekstrekker. Op de twee grote musea aan het Amsterdamse Museumplein na, het Rijksmuseum en Van Gogh Museum, scoort niemand meer met zijn duurzame verzameling. De belangrijkste troef voor de verschillende museumdirecties is tegenwoordig de afzonderlijke tentoonstelling. Tentoonstellingen die minimaal drie maanden duren, veel museumzalen in beslag nemen, een herkenbare thematiek aansnijden, maar vooral wat betreft onderwerp breed cultureel zijn opgezet.

Natuurlijk, oude kunstwerken van oude, bekende meesters doen het nog steeds goed, zoals de tekeningen van Michelangelo in het Teylers Museum in Haarlem hebben aangetoond. Maar opmerkelijker is de opzet van de expositie rond Dalí in het Museum Boijmans Van Beuningen, waarin het egomanische, Spaanse genie werd uitgestald als schilder, fotograaf, filmer én reclameman. In het Van Gogh Museum werd de expositie van Egon Schiele ‘geactualiseerd’ door een performance en dansvoorstelling van Marina Abramovic en Krisztina de Châtel. De omvangrijke manifestatie rond Sergei Diaghiliev (Groninger Museum) verenigde de dans-, mode- en kunstwereld uit St. Petersburg en Parijs in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Het tentoonstellingsaanbod betreft al lang geen hard core kunst meer. Tentoonstellingen waarvoor het publiek in drommen voor de deur staan, bestaan nog maar zelden uit enkele tekeningen, schilderijen en beeldhouwkunst. Reden waarom het Van Abbemuseum en het Bonnefantenmuseum, door hun keuze voor Het Kunstwerk (van Stanley Brouwn of Thomas Hirschhorn), niet langer mee gaan in de vaart der grote getallen, hoe goed en bewonderenswaardig hun beleid ook is.

Andere musea profileren zich liever met breed maatschappelijke thema’s, die ook nog eens aansluiten bij de belevingswereld van de potentiële bezoekers. De expositie Knus, over de jaren vijftig in Nederland (Noordbrabants Museum), Het kwaad (Tropenmuseum) of Beestachtig mooi (Van Gogh Museum) voldoen aan alle ingrediënten die van een gewone expositie een onvolprezen blockbuster maken: herkenbare voorwerpen, een mengeling van ‘hoge’ en ‘lage’ kunst, een aansprekende thema en een verleidelijke titel.

Ze appelleren bovendien aan de herhaalde oproep van staatssecretaris Medy van der Laan van Cultuur voor meer en nieuw publiek, en een meer spectaculair tentoonstellingsbeleid. Het is een opmerkelijke ontwikkeling voor musea die steeds meer ‘verzelfstandigd’ worden.

Meer over