BIMHUIS

Jazz en fotografie lijken op elkaar: alles draait om het éne moment. Het Bimhuis in Amsterdam viert zijn 25-jarig jubileum met een boek met foto's van 'huisfotografen'....

JAZZ IS MUZIEK om naar te kijken. Ernaar luisteren kan natuurlijk ook - je moet niemand zijn plezier misgunnen - maar er is iets voor te zeggen dat begin deze eeuw in de Verenigde Staten een muzieksoort werd geboren waarvan bij uitstek visueel te genieten valt.

De camera ontdekte de jazz toch nog vrij laat. De eerste afbeelding die aanspraken maakt op het predikaat 'jazzfoto' (een portret van de New Orleans-kornettist Buddy Bolden) is ruim honderd jaar oud, maar het duurde tot na de Tweede Wereldoorlog voor de jazzfotografie volwassen werd. Dat had met technische vooruitgang te maken (fotograferen in halfduistere clubs moet geen sinecure zijn geweest), maar was ook te danken aan de opkomst van een generatie fotografen die van jazz hield. In de muziek van Charlie Parker en tijdgenoten herkenden zij een improvisatievorm die draait om het hier en nu, het éne moment waarin het gebeuren moet - net als in de fotografie.

Amerikanen als William Gottlieb, Herman Leonard, William Claxton en Dennis Stock schiepen de oerbeelden die al een halve eeuw tot de verbeelding spreken: de eenzame solist in het krijtwitte bühnelicht, omgeven door een aureool van rook; de zangeres met de dichte ogen en de sensuele, wijdopen mond; de beestachtig zwetende drummer achter zijn glimmende trommels.

De jazzheld is niet minder universeel geworden dan die andere Amerikaanse uitvinding: de cowboy. Maar net als de Marlboroman blijkt de jazzman onderhevig aan slijtage. Want als de muziek verandert, verandert ook de manier waarop die kan worden uitgebeeld. Een sprekend voorbeeld biedt het boek Bimhuis 25, een compilatie van foto's en verhalen over het Bimhuis in Amsterdam, dat dit weekeinde zijn 25-jarig jubileum viert.

Het boek laat zien hoe begin jaren zeventig met het ontstaan van een Europese jazzvariant (onder de neutrale noemer 'geïmproviseerde muziek') ook een andere fotografie zijn intrede deed. Nederlanders zijn niet voor heroïek in de wieg gelegd. Wat in Amerika cool of bigger than life heet, lijkt op polderniveau al gauw aanstellerij.

Nederlandse muzikanten zijn zich bewust van hun weinig glamoureuze uitstraling. De pianist Guus Janssen verzuchtte bijvoorbeeld eens dat zijn ensemble er op podiumfoto's altijd zo beroerd bij staat. 'Een stel mensen die op de bus wachten.'

Daar moet een fotograaf dus iets op bedenken, en Bimhuis 25 laat zien hoe daar al die jaren in verschillende gradaties van vindingrijkheid aan is gewerkt. Elke periode in het Bimhuis kende zijn huisfotograaf: een heer of dame met een fotokoffer die geen concert oversloeg en op het laatst bij het interieur leek te horen.

De naam Pieter Boersma hoort bij de eerste jaren na 1974, toen in een voormalige meubelopslag het Bimhuis werd geopend. Boersma, begonnen in de jaren zestig als muzikant, volgde de generatie van Willem Breuker, Han Bennink en Misha Mengelberg op de voet en bouwde een 'giga-archief' van Nederlandse improvisatoren op. Het portretteren van 'oude Amerikanen' heeft nooit zo zijn belangstelling gehad. 'Het cliché van een saxofonist met een lampje erop is in de jaren vijftig al afdoende behandeld. Ik wilde de achterkant van het podium laten zien. Het gedoe, het gerotzooi eromheen. Dat vind ik interessanter dan het optreden zelf.

'Iedereen roept altijd dat jazz ter plekke ontstaat, maar dat is niet waar. Het wezenlijke werk gaat eraan vooraf: het bedenken van de vormen en ideeën, wie het met wie doet. Op een van mijn foto's zie je Misha Mengelberg aan een tafeltje nog gauw even wat op papier zetten. In zó'n foto zit voor mij het wezen van de jazz.

'Ik hobbel nog wel eens het Bimhuis binnen, maar ik kom er niet regelmatig meer. Ik kreeg een reguliere beroepspraktijk, en dan heb je geen tijd meer om in het café rond te hangen. Professionele fotografen doen de jazz er een tijdje bij en de goede amateurs blijven over, dat zie je steeds gebeuren.'

Opvallend aan jazzfotografen vindt Boersma het gebrek aan afgunst en hanengedrag. 'Er heerst een collegialiteit die onder gewone nieuwsfotografen tamelijk zeldzaam is. In commercieel opzicht valt er ook weinig te halen, maar toch. Het zal met de muziek te maken hebben. Jean-Pierre Leloir, een grote naam in het vak, heeft me op een festival in België nog eens zijn stoeltje aangeboden, om beter zicht te hebben. Dat was in '66. Ik kwam net kijken, wat hij aan mijn Flexarette-camera wel gezien zal hebben.'

De fotograaf met de langste dienstjaren in het Bimhuis is ongetwijfeld Frans Schellekens, die in 1979 begon in de curieuze dubbelfunctie van barman/fotograaf. Schellekens had een schriftelijke cursus fotografie gevolgd, maar toen dat niet meteen de gewenste baan opleverde, besloot hij een tijdje te gaan barkeepen. 'Henk Elzinga, de toenmalige eigenaar van het Bimcafé, heeft me eerst een ''blinddoektest'' afgenomen. Hij draaide platen en ik moest zeggen wie het waren. Ik was goed thuis in Archie Shepp, John Coltrane en Ornette Coleman, dus ik mocht meteen beginnen.'

Tussen het biertappen door vond Schellekens tijd om met zijn camera de zaal in te gaan. 'Het was een mooie periode. Archie Shepp, Dexter Gordon, de verkleedpartijen van Sun Ra, de eerste loft-concerten uit New York. Het zinderde, iedereen leefde naar die concerten toe. Shepp was altijd leuk om te fotograferen. Hij ging zitten met die grote schoenen van 'm, trok een chagrijnig gezicht en vond alles best wat je deed.

'Hans Dulfer kwam 's middags met zijn bandleden koffiedrinken, voor ze naar een concert in het land vertrokken. 's Avonds laat zaten alle muzikanten bij je aan de bar. Willem Breuker, Wilbur Little, elke dag was er een andere vaste kliek. Na de grote verbouwing in 1984 ben ik vertrokken als barkeeper. Ik sleet mijn foto's intussen aan diverse dagbladen en een paar jaar later begon ik bij de Nieuwe Revu. Een hoop trouwe klanten zijn na die tijd weggebleven. Die waren gehecht aan het oude hok met dat smerige, zwart uitgeslagen tapijt. De nieuwe inrichting vonden ze maar niks.

'Het was er vroeger relaxter fotograferen. Het licht was niet zo goed, maar door dat rare podiumpje van 30 centimeter hoog kon je overal bij. Tegenwoordig moet je bij drukke concerten een uur van tevoren komen. En dan zit je nog met alle fotografen op een kluitje. Vanuit die ene hoek moet je het dan zien te doen.'

Camilla van Zuylen, die in Bimhuis 25 wordt bedankt als degene 'die allang geleden pleitte voor een boek als dit', was een van de eerste vrouwelijke fotografen die zich in het Bimhuis thuisvoelden. 'In het midden van de jaren tachtig raakte ik bevriend met Tony Thijs, die voor Trouw fotografeerde. Ik ben van huis uit grafisch ontwerper, maar van Tony leerde ik hoe ik muziek moest fotograferen.'

De lessen hadden resultaat. De Volkskrant drukte een van haar eerste foto's af, een actiefoto van de invalide, op zijn krukken leunende saxofonist Arnett Cobb ('een enorme kick'). Gaandeweg ontwikkelde ze haar eigen stijl: 'Mijn manier is dat ik een plek vind met goed zicht, en dan eindeloos wacht tot het moment zich aandient. Ik hou het toestel continu aan mijn oog en kijk, kijk, kijk. Op een gegeven moment ben ik er helemaal in, merk ik niets van de omgeving. Ik weet niet of het waar is, maar ik denk vaak dat ik beter fotografeer als de muziek goed is.'

Van mannelijk chauvinisme heeft ze nooit last gehad, zegt ze. 'Maar ik voel me ook niet snel gediscrimineerd. Als iets me niet lukt, schrijf ik het op mijn eigen conto.'

Francesca Patella, die in 1993 met een beurs uit Bologna naar Nederland kwam om haar studie musicologie af te ronden, is een verhaal apart. Het begon met een 'heel dun draadje' (ze kende een cassettebandje van Mengelbergs ICP Orkest) waar een voor haar compleet nieuwe wereld aan vast bleek te zitten.

Een van haar eerste Bimhuisconcerten was een optreden van de ICP, dat haar 'vrolijk als een paasei' maakte. Ze raakte zodanig in de ban van wat ze zag en hoorde, dat ze de indrukken en associaties die haar bestormden van zich af moest schrijven. Tijdens concerten vulde ze het ene notitieboek na het andere ('het maakte veel in me los, dingen uit mijn jeugd, het was scary maar goed').

Toen ze was 'leeggeschreven' hield ze het gevoel dat 'alleen maar' luisteren niet genoeg was. Daarom begon ze ook met fotograferen. Min of meer bij toeval - 'ik was uit met vrienden, en nam mijn camera mee' - maar al snel ook weer met een mateloze overgave. In korte tijd bouwde ze een archief op van 16 duizend negatieven - 'haast alle Bimhuis-concerten vanaf oktober 1994'. Ze begon als onervaren amateur, profiteerde van praktische tips van Hugo Gosse en Frans Schellekens, en maakte zulke vorderingen dat de Amerikaanse uitgeverij Billboard Books vorig jaar uitsluitend haar foto's gebruikte voor het boek New Dutch Swing van Kevin Whitehead (inclusief de omslag: een woeste Han Bennink achter een rokend drumstel).

Patella geeft haar foto's graag iets mysterieus, bijvoorbeeld door van een muzikant maar een klein stukje gezicht te tonen, half verscholen achter zijn instrument. 'Ik hou niet van een overload aan informatie. Ik vind het beter als er iets te raden blijft. Daarom fotografeer ik ook graag ruggen.'

Anders dan haar collega's fotografeert Patella alleen als de muziek haar raakt. 'Soms kom ik binnen en weet ik meteen dat ik die avond niet één foto ga maken. Dan is er iets met de sfeer. Zodra ik muzikanten zie die de superster uithangen, ben ik weg. Dat is het mooie van het Bimhuis. Het gaat niet over sterren, het gaat over muziek.'

Meer over