Aard van het beestje

Bijna niemand neemt het op voor de bunzing

Iedere week schrijft Caspar Janssen over een dier in zijn habitat. Wat typeert het dier en waarom doet het juist nu van zich spreken?

Caspar Janssen
null Beeld Margot Holtman
Beeld Margot Holtman

Felle beestjes zijn het, de kleine marterachtigen: wezel, hermelijn en bunzing. De buitenbeentjes onder de kleine zoogdieren. Wel mooi maar niet schattig, want roofdieren. ‘Er wordt ze van alles in de schoenen geschoven’, zegt Edo van Uchelen, bioloog en marterkenner. ‘Ze krijgen de schuld van het verdwijnen van de weidevogels, ze pakken jonge patrijzen, kippen...’

Het zijn ook ‘overlevingskunstenaars’. ‘Zowat alles wat mensen doen is slecht voor ze. Ook natuurbeheerders: die zijn maar bezig met maaien, afvoeren en verschralen. En ze ruimen te veel op. Ze denken: die marters zoeken maar een plek, en het moeten er niet te veel worden.’

Hier, in De Auken, een gebiedje met wat moerasbos, een waterplas, slootkanten en ruige overhoekjes, onderdeel van het grotere De Wieden, leven ze alle drie, wezel, hermelijn en bunzing. Maar vooral voor bunzingen is dit een goed leefgebied. Van Uchelen: ‘Wezels en hermelijnen zitten meer in open terrein, de bunzing is meer van nat, riet en bosjes. Bunzingen foerageren ook langs slootkanten. Daar vinden ze kikkers en bruine ratten, en als een eend niet oppast is hij ook de sigaar.’

Geen natuurlijke vijanden

De bunzing heeft een paar voordelen ten opzichte van de wezel en de hermelijn, die naast roofdier ook zelf prooidier zijn. De bunzing is groter en heeft in Nederland geen natuurlijke vijanden. Hij kan zelf graven; hij graaft vaak rattenholen uit op zoek naar prooi, of om te rusten. Overdag slapen, ’s nachts jagen. Hij is carnivoor, net als wezel en hermelijn, maar met een diverser menu. Van Uchelen: ‘Ze zitten vaak op plekken met veel watervogels, zoals hier. Als het even wat minder gaat met ratten en muizen kunnen ze terugvallen op eenden, jonge ganzen en amfibieën.’

Desondanks gaat het ook met de bunzing niet goed. De trend is al decennia negatief. Oorzaak, vooral: het uitgeklede landschap. Van Uchelen: ‘Ze moeten elkaar wel kunnen vinden. Als ze de deelgebieden met andere bunzingen niet meer kunnen bereiken, dan klapt alles in elkaar. Dat is aan de hand. Op het boerenland is de dekking verdwenen, en veel van hun voedsel. Houtwallen, hagen, ruige stroken zijn afgebroken, slootkanten worden te veel gemaaid.’

De bunzing heeft nog een ander probleem: rattengif. ‘Bunzings eten dode, vergiftigde ratten op.’

Tussen wal en schip

De tragiek van de kleine marterachtigen: bijna niemand neemt het voor ze op. Van Uchelen: ‘Boeren en jagers zijn de marters liever kwijt dan rijk, en van natuurbeheer profiteren ze ook al niet. Ze vallen tussen wal en schip.’

Zo bezien is het eigenlijk een wonder dat ze er nog zijn. Als opportunisten weten ze toch altijd wel weer een plekje te vinden, weet Van Uchelen, maar toch: ‘Ze kunnen wel een ambassadeur gebruiken.’ Die rol heeft hij enthousiast op zich genomen. Bijvoorbeeld met zijn recent verschenen Bunzing, hermelijn en wezel, een boek met een bijna marterachtige dynamiek.

‘Ik heb de marters ook bewust naar voren geduwd als nuttig, als bestrijders van muizen en ratten. Ik zeg vaak: als we ze niet hadden, stonden we misschien wel tot onze enkels tussen de ratten en de muizen. Dat is overdreven, maar het werkt.’

Tussen het riet door het gebiedje weer uit. De bunzings slapen nog, en zijn sowieso bijna altijd verborgen. Van Uchelen: ‘Maar ze zijn er zeker. Een tijdje geleden had ik hier een nestkast met camera neergezet. Binnen een week had ik een heel gezin op beeld.’

Meer over