Bij glimmerik kreeg de persoon, de agent, een eigenschap van zijn uniform toegedicht

null Beeld ANP
Beeld ANP

Afwisselend betuigen Stella Bergsma en Sylvia Witteman hun liefde voor Nederlandse woorden die je niet vaak genoeg meer hoort. Deze week: Glimmerik.

Stella Bergsma

Ik heb een mannetje. Eindelijk. Iedereen heeft ze, maar nu heb ik er ook een. Voor mijn belastingen. Ik glim van volwassenheid. Mijn hele eigen mannetje. Nou ja tje, tje. Hij is 2 meter lang. Momenteel zit hij tegenover me gebogen over een rekenmasjien. Vroeger was hij echter politieagent. Je weet wel een bromsnor, diender, flik, sjampetter en de mooiste: een glimmerik. Een woord uit het Bargoens. De taal voor zwervers, landlopers en ander gespuis. De praat van de straat, ook wel dieventaal genoemd. Letters te snel voor de popo, de wouten, de bonnenschrijvers. Die taal was heel veel rik-woorden rijk. Blafferik voor hond, gaperik voor mond. Het waren eigenlijk een soort bouwpakketjes. Een eigenschap van hetgeen waarnaar je verwijst en dan 'erik' erachter. Zo was lichterik dag. Hogerik zolder en dieperik kelder. Je zou ze makkelijk zelf in elkaar kunnen knutselen. Een kat is dan een miauwerik, een baby een krijserik en je buurvrouw een zeikerik. Een politicus is een liegerik, een hooligan een beukerik en een hoer een neukerik. Bij glimmerik, een woord dat al in 1899 voorkwam, kreeg de persoon, de agent, juist een eigenschap van zijn uniform toegedicht. Je ziet het voor je: een pliesiepak met versgepoetste knopen. Zo’n bromsnor die dan een beetje blinkend van belangrijkheid op de hoek van de straat met een knuppel in zijn hand op zijn schoenen staat te wippen. Zou mijn mannetje er ook zo hebben uitgezien? Toen-ie een bink was, een juut, een sjouter, een tuut? Toen hij bij de smeris zat of, zoals ze tegenwoordig zeggen, de skowtu of ibahesj? Was deze pik ook zo’n glimmerik? Ik kijk naar hem. Hij zit nog steeds tegenover me druk op knopjes met cijfers te drukken. Ik zie het niet voor me. Een tellerik is het geworden.

Meer over