Big city als grandioos stripdecor

Archi & BD..

Van onze correspondent Ariejan Korteweg

parijs Helemaal aan het begin van de expositie zie je Little Nemo, de schepping van Winsor McCay uit het begin van de vorige eeuw, in zijn witte harlekijnspakje aan torenhoge flats hangen, of traag stuiterend over de toppen van wolkenkrabbers veren, hier en daar een geveltje vertrappend.

Niet lang daarna breekt de tijd van de grote gemaskerde helden aan. Batman, Spiderman, Superman en Silver Surfer zijn echte stadsmensen. Ze verrichten hun heldendaden altijd tegen het decor van de big city, waar goed en kwaad het hevigst door elkaar krioelen.

Waarna de manga-types hun opwachting maken, steevast gesitueerd in zo’n duizelingwekkende Japanse stad met gestapeld verkeer, iedereen dol van de lichtreclames.

Ook in de wat meer intieme steden van West-Europa – Parijs, Brussel, Amsterdam – is het de eenzame stripheld die van kader naar kader ronddoolt in een anonieme omgeving van glas, beton, asfalt, omgevallen vuilnisbakken en straatverlichting.

Archi & BD (architectuur en stripverhaal – bande dessinée), dat is het onderwerp van de grote zomertentoonstelling in Palais Chaillot, het drie jaar geleden geopende architectuurmuseum van Parijs. Waarmee twee grote Franse liefhebberijen elkaar treffen. Architectuur moet daarbij dus gelezen worden als grote stad. Stripfiguren houden zich zelden op in designvilla’s, bungalowparken of Vinexwijken. Ze gaan waar de actie is, en dat is doorgaans niet op het platteland.

‘Een ontmoeting van twee soorten scheppers’, dat stond de curatoren voor ogen met deze expositie. In beide gevallen begint het werk met tekentafel, potlood en papier.

Voor de striptekenaar is dat ook meteen het einde, wat hem het onmiskenbare voordeel oplevert dat zijn fantasie grenzeloos mag zijn. De architect zal zijn ontwerp gerealiseerd zien, zij het vaak na de nodige aanpassingen.

Een stripalbum leent zich eigenlijk niet zo geweldig voor een expositie, blijkt al snel. De mogelijkheden zijn beperkt. Je kunt de pagina’s opblazen tot reusachtige proporties, wat bij Little Nemo, the Spirit of Moebius mooie resultaten oplevert. Je kunt de originele tekeningen presenteren, wat bewondering voor het handwerk oproept. Maar dan nog doe je geen recht aan verhaallijnen en compositie.

De momenten waarop architectuur en strip elkaar echt raken, boeien het meest. Dat gebeurt letterlijk als de Franse architect Christian de Portzamparc en de Nederlandse tekenaar Joost Swarte samen het Hergé-museum in Louvain-la-Neuve ontwerpen. De een doet het gebouw, de ander bedenkt hoe alles getoond zal worden. ‘Ik was getroffen door de uitzonderlijke relatie van Swarte met de Klare Lijn’, zei De Portzamparc. Een grote maquette laat zien waartoe die samenwerking leidde.

Hier en daar raakt Archi & BD aan Dreamlands, de grote expositie over de architectuur van wereldtentoonstellingen en pretparken die tezelfdertijd in het Parijse Centre Pompidou te zien is. Ook in Chaillot is er ruim aandacht voor de Italiaan Ettore Sottsass en voor de utopistische Britse architectengroep Archigram, die hun fantasie de vrije teugel lieten. Little Nemo is een ander raakvlak. Diens Slumberland was beïnvloed door het New Yorkse pretpark Coney Island, de oervorm van Dreamlands. Rem Koolhaas, inspirator van de expositie in het Centre Pompidou, keert ook hier terug als een van de architecten die graag met striptekenaars samenwerkt, zoals bij Eurolille.

Dat de binnenstad van Parijs, al een eeuw bijna onbeweeglijk, het decor is voor de meer poëtische helden en hun tot weemoed stemmende verwikkelingen, is begrijpelijk. Maar het hart springt op bij het zien van Léon-la-Terreur, in Nederland beter bekend als Sjef van Oekel. De klare-lijn-tekeningen van Theo van den Boogaard, die tot in de fijnste details de Amsterdamse binnenstad vastlegde, hangen hier op meer dan ware grootte. Dan is het ineens niet de verkeersopstoppingen veroorzakende Van Oekel/La Terreur, maar de architectuur die de hoofdrol speelt.

Niet altijd is de wederzijdse aandacht zo welwillend. Nogal extreem was de Franse tekenaar Reiser, die op de cover van het tijdschrift Charlie zijn mening over de stedenbouw ten beste gaf: ‘De architect is een klootzak.’ Het leverde hem veel uitnodigingen op om toch eens met architecten te gaan praten. Voor een van hen, Guy Rottier, zou hij de vaste illustrator worden en zelfs een Maison Caca (poephuis) ontwerpen.

Even simpel als vernietigend is een reeks van twaalf plaatjes van de hand van de Amerikaan Robert Crumb. Linksboven tekende hij een maagdelijk landschap van bomen en gras – een hert verdwijnt in de bosrand. Hij blijft de blik exact op die plek gericht houden, en laat zien wat geleidelijk gebeurt. De omgeving wordt steeds intensiever gebruikt: huizen, wegen, spoorlijnen worden aangelegd. Op het plaatje rechtsonder is het bos veranderd in de chaos van een Amerikaans stadje; het lawaai mag je er zelf bijdenken. Zo krijgt Crumb met deze beknopte geschiedschrijving van de Verenigde Staten het slotwoord: What next?!!

Meer over