Bezeten van de droefenis om onze samenleving

In het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen staren allerlei mensen je aan, en je hoeft ze niet eens heel goed te bekijken om door te hebben welk slag volk dit is....

GRETA RIEMERSMA

Van onze verslaggeefster

Greta Riemersma

ANTWERPEN

Het is zó duidelijk, dat het geen verwondering wekt dat veel van deze figuren zijn vergeten. Hun rauwe koppen en kapotgewerkte lijven zijn altijd vooral beschouwd als aanklacht tegen de ongelijkheid in de wereld, als illustratie van het sociale klimaat in Europa rond de laatste eeuwwisseling.

Aan de artistieke waarde van al deze schilderijen en beelden wordt vaak voorbij gegaan. Het museum in Antwerpen wil daarin verandering brengen. Vandaar dat al die arbeiderstypes er nu aan de wanden hangen, of in brons of gips uitgevoerd in de ruimte staan. Het zijn ruim tachtig werken van ongeveer veertig beeldend kunstenaars uit België en de rest van Europa die tussen 1875 en 1915 het naturalisme vertegenwoordigden.

De stroming is vooral bekend van de literatuur. Zeg naturalisme, en een beetje literatuurkenner zegt Emile Zola (1840-1902). Wat hij wilde met de literatuur, dat wilden ook de beeldende kunstenaars met hun naturalistische werk: de werkelijkheid zo werkelijk mogelijk weergeven, om aan te tonen dat de mens bepaald is door ras, milieu en tijd. Het idee was afgeleid van de wetenschappelijke opvatting dat kennis alleen kon worden vergaard door de wetten van de natuur te bestuderen.

Zowel in de literatuur als in de beeldende kunst kwam de theorie tot uiting in een overvloedige aandacht voor de gewone mens. Waarom die?, kun je je afvragen. Daarover lopen de meningen van kunstcritici en -wetenschappers uiteen. Het was in elk geval een kwestie van tijdgeest. Vanaf de Franse Revolutie in 1789 werd het volk steeds meer onderwerp en onderdeel van het politieke en maatschappelijke debat. Het volk werd ontdekt - ook door kunstenaars.

Wie rondloopt tussen al die figuren in het Museum voor Schone Kunsten, kan gemakkelijk worden bekropen door het gevoel dat hier inderdaad een tranche de vie, zoals de expositie in het Frans heet, is ontdekt. De naturalisten hebben zeker hun best gedaan het leven van boeren en fabrieksarbeiders nauwgezet, zij het in allerlei verschillende stijlen, weer te geven. Maar de ontdekking van het volk was, zo blijkt, vooral de ontdekking van de diepdroevige ellende.

Arme stakkers trekken zo'n beetje horizontaal de ploeg of een boot voort, of ze zijn met beroet gezicht een stuk land aan het ontbossen. Als ze niet werken, liggen ze uitgemergeld in bed, op sterven na dood, of dood. De nabestaanden buigen zich radeloos over het geliefde lijk, we zien ze na de begrafenis op het kerkhof, steunend op elkaar, of in donkere boezeroenen aan het begrafenismaal.

Het toppunt van treurnis zijn de straatjongetjes die Fernand Pelez (1843-1913) schilderde. Een van zijn schilderijen heet Een nest van ellende, en die titel volstaat eigenlijk al. Twee inwitte knaapjes liggen in elkaars armen te slapen, omringd door vodden en met gerafelde sokken aan hun voeten.

Het naturalisme had sowieso een grote voorkeur voor straatkinderen, die liefst slapend, met het hoofd achterover en de mond licht open werden afgebeeld. Het was bijvoorbeeld de specialiteit van de Franse schilder Jules Bastien-Lepage (1848-1884), de grote roerganger van de naturalistische schilderkunst. Hij beïnvloedde met zijn werk veel buitenlandse schilders die Parijs in de loop van de negentiende eeuw bezochten. De moderniteit, waarachtigheid en intensiteit van zijn werk werden geprezen.

Dat wil zeggen: hij portretteerde mannen, vrouwen en kinderen uit het volk - en dat was iets anders dan realisten als Courbet en Millet eerder in de negentiende eeuw hadden gedaan, die veeleer types dan individuen maakten van de mensen die ze schilderden. Bastien-Lepage had het patent op de hoge horizon, het kleine streepje lucht bovenin, zodat alle aandacht uit kon gaan naar de geportretteerde figuur die voluit, in al zijn schamelheid is afgebeeld.

Ach, die bruine ogen van een van zijn schooiertjes, Pas Mèche uit 1882. Wat doen ze een beroep op de menslievendheid van de toeschouwer. Je zou hem te eten willen geven, in bad willen stoppen en dan hup, in de schone kleren.

Het is moeilijk het een eeuw na dato met zekerheid te stellen, maar de werkelijkheid die de ontdekkers van het volk schiepen, moet ongeveer net zo real zijn geweest als de reality-tv van nu - die een voorkeur heeft voor branden, ongelukken, inbraken, criminele transacties en moorden. En net als dat soort tv, was het naturalisme niet bang in te spelen op de gevoelens van het publiek.

Sommige voorstellingen zijn ronduit melodramatisch, zoals Harde tijden van de Duitse schilder Hubert von Herkomer (1849-1914). Een moeder is met haar kinderen uitgeput neergezakt op een landweg, pa staat met een knapzak op de rug te staren naar een dorpje in de verte. In het zicht van de haven gestrand, dat mag duidelijk zijn.

Maar kijk, veel kunstenaars hadden, meer of minder bewsut een boodschap uit te dragen. 'Gedurende de hele 19e eeuw voerden de aanhangers van L'Art social een pennenstrijd met de aanhangers van L'Art pour l'art', stelt de bijbehorende catalogus - en het mag duidelijk zijn welke kant de naturalisten kozen. Veel van hen hadden socialistische sympathieën. De schilder Jean-François Raffaëlli (1850-1924) formuleerde het zo: 'Het spreekt vanzelf dat de schrijvers en kunstenaars die behoren tot de realistische of naturalistische beweging, mensen zijn die lijden, ongelukkig en verontrust zijn, en dat zij in zichzelf bezeten zijn van de zorgen en droefenis van onze samenleving.'

Met boodschappen wil het in de kunst nogal eens fout gaan. Bij de naturalisten leidde het vooral tot het benadrukken van ellende, maar het had ook een overdrijving naar de andere kant tot gevolg. De arbeider werd verheerlijkt. Vooral Constantin Meunier (1831-1905) had er een handje van. Hij ontdekte het Waalse industriegebied, en van die ontdekking getuigt veel van zijn werk. Zijn sculpturen zijn stuk voor stuk mannen met wilskrachtige kinnen, rechte romeinse neuzen en indrukwekkende torso's - wat zijn uitwerking niet mist, want kracht stralen deze helden zeker uit.

Verheerlijking was er ook in romantische zin. Sommige naturalisten stelden het werk op het land voor als een beregezellige bezigheid, uitgevoerd door blozende boeren en boerinnen. Het gras is hoog met veel bloemen ertussen, het is het land van Bartje. Bastien-Lepage gaf een van zijn landlopertjes, Pauvre Fauvette uit 1881, een welhaast visionaire blik, en de Duitser Fritz von Uhde (1848-1911) liet Jezus op bezoek gaan bij een boerenfamilie - ook manieren om de gewone mens status te verlenen.

'Het is een waarheidsdrang waar je koude rillingen van krijgt', schreef de Gazette des Beaux-Arts in 1880 over het naturalisme. Geen wonder dat de krant tot die conclusie kwam, het was in die tijd immers nieuw het volkse leven zó indringend af te beelden. Maar nadien waren het juist de koude rillingen die de waarheid over het naturalisme in de weg stonden. De vraag wat het naturalisme als artistiek fenomeen voorstelde, kon er niet meer goed door worden beantwoord. Helaas. Want als je even de tijd neemt, en alle ballast van je afgooit, is bijvoorbeeld zo'n tafereeltje van rustende mannen in een houten huisje (Middagrust uit 1889 van de Fin Akseli Gallen-Kallela) plotseling mooi. Het is dan ook pretentieloos.

Het volk ten voeten uit, naturalisme in België en Europa 1875-1915. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Tot en met 16 februari. Catalogus 1200 BF.

Meer over