BESCHADIGDE VRIENDEN

Het loopt niet meer zo soepeltjes, tussen de leden van de Britse band Keane. Het nieuwe album deed al iets vermoeden....

MENNO POT

Het is drukkend warm in de tourbus van de Engelse band Keane. Het zwarte gevaarte staat geparkeerd in de brandende zon, op de oude drafbaan achter het hoofdpodium van Pinkpop, waar Keane later die dag zal optreden. Helemaal achterin de bus, in de krappe zithoek van beige kunstleder, wacht Tim Rice-Oxley, niet alleen verantwoordelijk voor het geluidsbepalende pianospel, maar ook de belangrijkste componist en tekstschrijver van de groep uit het stadje Battle, die vorig weekend het tweede album Under The Iron Sea uitbracht.

`Hier heb ik de plaat grotendeels bij elkaar geschreven`, zegt hij, met twee handen de plaats afbakenend waar hij nu zit. `Goeddeels alleen, als ik eerlijk ben. Tijdens de tournees. Op een elektrische minipiano.`

Logische vraag: is het niet heel lastig om on the road te componeren, terwijl je bandmakkers voortdurend binnen komen lopen en tegen je aan staan te ouwehoeren?

Rice-Oxley grijnst ongemakkelijk. `Ze kwamen bijna nooit binnenlopen. En tegen elkaar aan ouwehoeren doen we nog maar heel zelden.`

Hier zit geen popmuzikant die de tijd van zijn leven heeft, dat is wel duidelijk. Wat op internet en in de Britse muziekbladen beweerd wordt, is kennelijk waar: de verstandhouding tussen Rice-Oxley, Tom Chaplin (zang) en Richard Hughes (drums) is niet bepaald om over naar huis te schrijven. Volgens de geruchten zou het einde wel eens nabij kunnen zijn voor Keane, de `gitaarband` die bij nadere beluistering geen gitaren blijkt te gebruiken. Van het debuutalbum Hope And Fears werden meer dan vijf miljoen exemplaren verkocht.

Rice-Oxley schudt het hoofd: nee, zo erg is de situatie ook weer niet. `We gaan juist weer een beetje de goede kant op. Maar ik beken: we hebben op het randje gebalanceerd.`

Ze kennen elkaar al bijna hun hele leven, de drie van Keane. Ze groeiden samen op in en rond Battle, richtten in de tweede helft van de jaren negentig Keane op, verhuisden in 1999 naar Londen om jacht te maken op een platendeal, maar moesten nog bijna vier jaar knokken voor ze een debuutsingle (Everybody`s Changing) mochten opnemen voor het kleine Fierce Panda-label, dat een paar jaar eerder zomaar het muzikaal verwante Coldplay ontdekt had.

Met Keane gebeurde precies hetzelfde: de radio draaide Everybody`s Changing stuk, waarop het debuutalbum Hope And Fears (2004) een kaskraker werd bij een majorlabel.

En nu? Nog geen twee jaar later spelen de drie bandleden de hoofdrol op hun eigen tweede album, met `de tol van de roem` als thema. De titel Under The Iron Sea verwijst naar alles wat broeit onder de glanzende, bijna ondoordringbare waterspiegel van Keane`s succes: `I lost my heart/ I buried it too deep/ Under the iron sea.`

`Je leidt als popmuzikant zo`n onnatuurlijk leven`, zegt Rice-Oxley. `Alles gaat snel en er gebeurt ontzettend veel om je heen. Het is als bandje heel eenvoudig om maanden lang geen enkel echt gesprek met elkaar te voeren. We hebben het hier over een hele oude vriendschap die heel erg beschadigd is. Onherstelbaar, misschien. We hebben het niet kunnen voorkomen.`

Under The Iron Sea is het album van de desillusie. `Is it any wonder I`m tired?/ Is it any wonder that I feel uptight?` zingt Tom Chaplin in de succesvolle eerste single Is It Any Wonder?, om in Crystal Ball haast te smeken om hulp: `Oh, crystal ball, save us all/ Tell me life is beautiful.` Het zijn, ironisch genoeg, de woorden van Tim Rice-Oxley, via de mond van Tom Chaplin.

`Het was een ontzettend zware bevalling`, zegt Rice-Oxley. `Tijdens de opnamen hebben we een enorme crisis gehad, omdat er domweg geen chemie was, geen communicatie. We zijn drie moeilijke jongens: ik heb de neiging me af te zonderen en alles dan maar alleen te willen doen. Tom heeft de neiging om weg te lopen en zich een paar dagen niet te laten zien. Er lukte helemaal niets meer.`

Maar Under The Iron Sea kwam af, omdat de drie bandleden net op tijd een uitdaging zagen in het creëren en vastleggen van een nieuw, ontoegankelijker studiogeluid. Waar Rice-Oxley`s pianospel op het debuut helder klonk, is het op de opvolger diep ondergedompeld in effecten. Bovendien lijkt het wel of Rice-Oxley`s teksten over hun afbrokkelende vriendschap een therapeutisch effect hebben.

`Ik ben blij dat we weer op tournee zijn. We maken weer met zijn drieën dingen mee, voetballen backstage en praten soms weer eens ergens over. We waren er altijd van overtuigd dat we minimaal dertig jaar zouden bestaan. Het was al bijna misgegaan, maar een paar dagen geleden zaten we plotseling weer te praten over hoe album nummer drie moet klinken. Het zou me niet verbazen als Under The Iron Sea over een paar jaar onze overgangsplaat blijkt te zijn.`

De recensies zijn tot nu toe lauwtjes, maar commercieel gezien geeft het allemaal niet. En daar is de parallel met Coldplay weer, de band die met een goeddeels mislukt album (X & Y) de status van stadionband bereikte. Het heeft er alle schijn van dat Keane ook nu weer iets vergelijkbaars staat te wachten. Het hitsucces van Is It Any Wonder? wijst daarop. `How do you make it right?` vraagt Rice-Oxley zich af in de coda van dat lied.

`Soms zou ik willen dat we geen nette, verstandige jongens uit het zuiden waren, maar straatjongens als Carl en Pete van The Libertines`, verzucht Rice-Oxley. `Dan hadden we elkaar misschien een paar keer de tanden uit de bek geslagen, maar waren we niet zover van elkaar verwijderd geraakt.`

`How do you make it right?` Hoe repareer je de schade? In Is It Any Wonder? geeft Rice-Oxley al in de volgende regel het gelaten antwoord: `Oh, but you try.`

Hij grijnst nog maar eens als een boer met kiespijn. `Meer kun je niet doen. Misschien is het nog niet te laat.`

Meer over