Berlijn 1989 - 2009

Terug naar café Zum Nussbaum

Peters Arjan

Berlijn 1989 - Cees Nooteboom was erbij. Twintig jaar later wandelde hij er weer, en zag hoe de stad zijn oude vorm terugkrijgt, maar nooit meer diezelfde oude vorm.

Twintig jaar na de val van de Muur in Berlijn beweegt Cees Nooteboom (1933) zich weer door de stad, en vergelijkt het nieuwe Bundeskanzleramt met een 'zachtroze kalmeertablet'. Hij wil er wel over lezen wat zich daar binnen afspeelt, en hij blijft zich verbazen over ongebreidelde bouwdrift op vele historische plekken, maar als hij in het ietwat verweesde café Zum Nussbaum in het Nikolai-Viertel komt, dan vindt hij in zijn notitieboek een paar 'hulpeloze' notities.

Terwijl hij twintig jaar geleden opwinding voelde door alleen al in dat café in Oost terecht te komen, het was een uitzonderingsplek, 'je was even in een vreemde wereld', nadat je allerlei controles op de Bahnhof Friedrichstrasse was gepasseerd. Nu leest hij over de sluiting van het Berlijnse vliegveld Tempelhof, en bedenkt dat zich daar nog een scène afspeelt in een verhaal dat hij 'ooit' schreef.

Ooit, dat is niet meer dan een paar jaar geleden, want de slotscène van de korte roman Paradijs verloren (2004) speelt zich af op vliegveld Tempelhof. Zo razendsnel gaat het in Berlijn, lijkt Nooteboom met die weidse onbepaaldheid van dat 'ooit' te suggereren - keer je na vijf jaar je rug om, dan is de omgeving drastisch veranderd, waardoor je verhaal van zoëven het aanschijn van een historische roman heeft gekregen.

Tien jaar na de val van Muur was Nooteboom ook al terug in Berlijn, om met eigen ogen nog eens goed te bekijken wat er niet meer was. 'Je loopt niet straffeloos door een wond', is zijn gedachte in 1999, en hij signaleert de littekens van de 'scheur die door de wereld liep' en die in die stad zichtbaar werd als 'een versteend hartinfarct'.

Nu alle notities over de stad die weer Duitslands hoofdstad werd zijn gebundeld in Berlijn 1989-2009, worden de beschouwingen van na de Wende zoiets als de naschokken bij die onwaarachtig snelle omwenteling in november 1989. Nooteboom was er bij, zoals hij er bij was in Boedapest 1956 en Parijs 1968, en juist daarom herkende hij het geluid van een stem op de autoradio in de taxi: 'Het heeft de jankerige, gejaagde, zichzelf nog niet gelovende toon van grote gebeurtenissen.' De werveling van die dagen weet hij in gloedvol proza te vangen, en als weinig andere ooggetuigen slaagt hij erin zowel deel te nemen als afstand te bewaren. Het centrum van een wereldstad krijgt zijn oude vorm terug, al zal het nooit meer diezelfde oude vorm zijn - te midden van de massa's op straat, de vaandels, krantenkoppen en commentaren loopt de 'ogenmens' Nooteboom met zijn notitieboek, en daarin valt alles op zijn plaats.

De tijd was op drift geraakt, even liepen verleden en droom, mijmering en opwinding haast onontwarbaar parallel, elkaar kruisend, over elkaar struikelend, en misschien was Cees Nooteboom uit Den Haag daarom de gedroomde verslaggever. 'Hoe ziet een vis de rivier waarin hij zwemt?', is de vraag waar het hoofdstuk over De Val mee begint, en als vreemde vis uit het buurland kon hij de stroom die in die dagen alles en iedereen met zich meevoerde ook taxeren.

Dat klinkt als een aannemelijke verklaring, maar er speelt nog iets anders mee. Vaak is er op gewezen dat Nootebooms werk uit twee compartimenten bestaat, met enerzijds de reisverslagen en anderzijds de fictie. De notities die aan plaats en tijd gebonden zijn, versus de bespiegelingen die de gangbare grenzen oprekken en overschrijden. Toch is die scheidslijn zo simpel niet te markeren, zoals de tweede bundeling stukken, een collectie van gedichten en beschouwingen over beeldende kunst, Het raadsel van het licht, uitwijst.

Ook hierin is de schrijver een kijker en reiziger, die met smaak kan mopperen over de moeite die het hem kost om in 2007 in Arezzo een tentoonstelling van de vijftiende-eeuwse schilder Piero della Francesca te bezoeken. 'De rest van de Italiaanse b

evolking was er ook', en 'Zelden heb ik zoveel achterhoofden gezien'. Het valt nog niet mee een rustpunt te vinden, en dat was zijn oogmerk, te weten de dood van Adam, geschilderd door Piero in het bovenste van drie fresco's aan de rechterzijmuur van de kapel in de San Francesco. De eerste dode uit de menselijke geschiedenis.

Het lukt hem natuurlijk toch, zoals hij ook even daarna in Urbino oog in oog komt te staan met het schilderij dat hem het liefst is, 'al geeft het meer raadsels op dan alle andere, of misschien juist daarom': De geseling van Christus (ca. 1444-1449), waarvan hem de onmetelijke stilte treft. 'Zelfs de zweep maakt geen geluid.' We zien iets van buiten de tijd. Zolang we naar dat doek kijken, wordt de tijd afgeschaft. Ook die van jou hier, zoveel eeuwen later. Even wordt je vluchtigheid opgeheven.

Niet altijd ziet Nooteboom beter en meer door de schilderijen zelf te inspecteren - op een Patinir-tentoonstelling in het Prado (Madrid) ziet hij minder verfijnde details dan zijn gids (die hem behulpzaam wijst op een houtsplintergroot mannetje dat naast een varkentje zit te poepen), en ook erkent hij dat catalogi en commentaren de blik wel degelijk kunnen sturen. Maar minstens zo vaak laat hij zien wat hij denkt bij het kijken: Rembrandts zelfportret uit 1658, in New York, man met staf, 'de vingers zijn niet gekromd in een greep, alsof de gouden monarch op dat schilderij zijn greep op de wereld verloren heeft, en zijn ogen weten waarom'. Gelukkig is Nootebooms stuk uit 1988 over Zurbarán ook opgenomen, de tastzinnige schilder, 'je ziet altijd hoe de stof bij aanraking zou voelen'.

Door al dat kijken en schrijven brengt hij de schilderijen tot leven, en wordt de tijd afgeschaft, alles stroomt, de grenzen gaan open, scheidslijnen en muren vallen. Als dat wonder mogelijkheid wordt, weet de eeuwige reiziger zich in zijn element. Dan is hij thuis gekomen.

Meer over