Berichten uit de Achterhoek

HET beeld is natuurlijk mooi, want de dichter was tenslotte landgoedbeheerder en landbouwkundige: 'Staring heeft - in het gewone leven als in de literatuur - vermeden verdriet te verwoorden of verwoord te zien; het mocht geen uitgesproken rol gaan spelen....

De boommetafoor is het slot van een door Johanna Stouten geschreven portret van Staring; het werd opgenomen in de afgelopen zomer verschenen bundel Verlichte geesten, een portrettengalerij van achttiende-eeuwse schrijvers en geleerden. Als dichter was Staring niet alleen een snoeier naar de inhoud. Wat tenslotte zijn Verzamelde gedichten vormt, is weinig omvangrijk; in de afzonderlijke gedichten heeft hij altijd bondigheid nagestreefd, het uiterste aan summierheid bereikte hij in zijn Puntdichten. Beknoptheid geeft retoriek weinig of geen kans. En de afwezigheid daarvan heeft veroudering van een deel van Starings poëzie voorkomen, want ze is er persoonlijk door gebleven. 'Herdenking' is nog altijd zijn meest genoemde gedicht, en ik denk vooral om de tweede strofe:

't Werd stiller; 't groen liet af van droppen:/

Geen vogel zwierf meer om;/De dauw trok langs de heuveltoppen,/Waar achter 't westen glom;/Daar zong de Mei zijn avendlied!/Wij hoorden 't, en wij spraken niet.

En in die stilte gaat het vers over in een heel mooi liefdesgedicht.

Misschien heeft ook de, kleinschalige, humor nogal wat gedichten voor de toekomst gered. Ik heb altijd deze regels - de eerste van het gedicht 'De veenrook' - onthouden. Vanwege het rijm. Maar ik weet nog altijd niet of dat ook wat schoolmeesterachtig-geestig bedoeld is geweest:

Wat droevig zwart misverwt den hemel dus?/

Werd Lochems berg verkeerd in een Vesuvius?

Het gedicht is een wat hekelend leerdicht. Didactische behoeften zijn Staring niet vreemd; wie 'puntdichten' schrijft en daarin nogal eens kleine leerzame tafereeltjes oproept, beoefent tenslotte een soort wijsheidsliteratuur, in cursief, dat wel. Grote gevoelens heeft Staring ons niet nagelaten; diepe gedachten ook niet. Hij is een dichter van het gezond verstand, soms zo gezond dat men naar kleine afwijkingen begint te verlangen. Hij is verlicht gebleven, toen de romantiek in het donker al was binnengeslopen. Hij had één ziel en dat was een oprecht Hollandse of Gelderse, zoals hij het zelf zou hebben gezegd. De Achterhoek, waar, in Vorden, zijn landgoed lag (het bestaat nog steeds en wordt nog altijd door een Staring bewoond), was zijn moedergrond. Als beheerder heeft hij pionierswerk verricht, in agrarische en in sociale zin. Hij was een practicus en een idealist, misschien verklaart die combinatie ook wel de eigen aard van zijn poëzie.

Uit zijn bijeengebrachte poëzie liet hij een gedicht weg, dat 'Zang bij de Weende' heette; hij schreef het in zijn studietijd in Göttingen, staande aan de oorsprong van een beek die zo heet. In de 'Aanteekeningen' heeft hij de laatste strofe voor vergetelheid gered; gelukkig, want ze kenmerkt hem, inhoudelijk dan:

Wien Neêrlands grond het leven gaf/Gedenkt alom dien zegen;/Hij draagt niet lang den pelgrimsstaf/Of zucht het weêrzien tegen./Hij snelt terug naar 't klein gebied,/Waarin hij wieg en erve liet,/En Eden zelf betreurt hij niet.

Staring was een tevreden man en ook een tevreden dichter. Maar niet zelfgenoegzaam. Die tevredenheid moet hem nog altijd sympathiek maken.

DE door hem verworven toekomst heeft Staring toch tot een literair-historisch figuur gemaakt. Hij verkeert met tallozen in die Achterhoek die de letterkundige geschiedenis rijk is, zij het op een opvallende plaats: hij houdt zijn eigen, kleine landgoed. Enige relatie tussen de oudere en de actuele literatuur is er in onze cultuur niet, laat staan wisselwerking. Achter de actuele literatuur - en de actualiteit wordt steeds korter van duur - ligt voor de meesten onzichtbaar het netwerk van de literatuurgeschiedenis. Er wordt in dat verborgen gebied heel hard gewerkt. Maar de resultaten van alle onderzoek zijn bijna altijd voor de gesloten kring van andere geleerden. Men dreigt alleen voor elkaar te schrijven. Achter gesloten deuren. Misschien is de grote productie aan boeken, studies en artikelen wel het meest verwonderlijk aan het literair-historisch bedrijf. Afwezigheid van weerklank van buiten blijkt niet te ontmoedigen.

In 1990 was Staring honderdvijftig jaar dood. (De dubbelzinnigheid die de Schoolmeester voor Poot aan de dood gaf, moet hier vermeden worden). Bij de Walburg Pers verscheen toen een bundel studies: A. C. W. Staring, dichter en landman, regionalist en nationalist. Zijn veelzijdigheid komt in de verschillende stukken - waaronder een zeer uitgebreide studie over zijn poëzie - heel goed tot haar recht. Staring had iets van de renaissancistische universele mens. De uitgave was, naar de financiering, een zeer Gelderse aangelegenheid. Enkele literair-historische studies en tekstuitgaven waarin Staring een rol speelt, verschenen sindsdien. En nu is er een nieuwe studie/tekstuitgave: De vormingsjaren van A. C. W. Staring. De auteur is Dr. M. Evers. De bovengenoemde bundel uit 1990 was voor de schrijver aanleiding tot nader onderzoek van de universitaire tijd van Staring. En dat leidde uiteraard tot een zeer gespecialiseerd boek, dat de kring van geleerden nog kleiner of geslotener lijkt te maken. Hoewel: de noten en de bibliografie kunnen uitwijzen hoe groot die kleine kring is. Maar ook wat de auteur moet onderzoeken en lezen om deze studie over vijf jaar uit Starings leven te kunnen schrijven (en voor andere specialisten zoveel mogelijk ontoegankelijk voor kritiek te maken. Hoewel: lacunes lijken me nooit weg; ze geven weer aanleiding tot andere studies. Een enkele keer denk ik wel eens dat de wetenschap bestaat uit aanvullingen op aanvullingen op aanvullingen).

Evers' boek heeft als ondertitel 'Brieven en documenten betreffende zijn studietijd in Harderwijk en Göttingen, 1784-1789'. Staring studeerde eerst met grote weerzin rechten in Harderwijk; hij vervolgde zijn rechtenstudie niet in Leiden, zoals zijn ouders hadden gewenst, maar koos voor een studie in 'Landbouwwetenschap' aan de universiteit van Göttingen. Daarmee koos hij ook voor zijn toekomst. Niet in de advocatuur, niet in een bestuursfunctie. Hij studeerde met in gedachte het beheer dat hij over het vaderlijk erfgoed zou gaan uitoefenen. Hij koos, kan men zeggen, voor de natuur, voor de schoonheid, maar ook voor het gebruik ervan, en dat zo efficiënt mogelijk. Maar dat weer tot het welvaart en dus geluk van de mensen. De filosofie van waaruit hij in Duitsland gaat studeren en van waaruit bepaalde vakken aan de universiteit van Göttingen werden gedoceerd, lijkt die van de Verlichting. De 'landbouwveredeling' had trouwens, in Nederland, als in heel Europa, een zeer ruime aandacht, zij het van de heren en niet van de boeren.

TOEN Staring in 1787 naar Göttingen vertrok, had hij al een dichtbundel gepubliceerd: Mijn eerste poeve in poëzij, dat het jaar tevoren was verschenen. En als jonge dichter was hij al sinds 1784 in briefwisseling met de door hem bewonderde Rhijnvis Feith, die hij als zijn mentor beschouwde. En de oudere dichter reageert ook op het werk van de jongere als een ervarene, zonder neerbuigendheid overigens. Staring legt hem nu en dan verzen voor. En Feith bekritiseert ze zeer zorgvuldig, heel technisch ook, maar ook nooit zonder bewogenheid en gevoeligheid, ook over zijn eigen situatie. Er hangt altijd wel een traan, van vreugde of van verdriet, aan Feiths pen. Feith was weinig enghartig; hij erkende Starings talent, later zelfs een zekere genialiteit. Een bedankbrief voor de toezending van Starings eerste bundel sluit hij af met de zin: 'Adieu! mijn Heer, leef gezond en geloof dat gij een vriend hebt in Feith.' De correspondentie van de twee, opgenomen in Evers' boek, acht ik het boeiendste onderdeel ervan, ook al omdat zich uit het woordgebruik nogal wat aan opvattingen over poëzie laat afleiden. 't Is lief', is de korte samenvatting van zijn lof op een hem door Staring toegezonden gedicht.

Het is heel goed hoe Evers in de ervaringen in de twee Duitse jaren ook Starings ontwikkeling als dichter beschrijft, mede door zijn kennismaking met veel Duitse dichters. Klopstock wordt door hem het meest bewonderd. Maar ook Bürger en vele anderen. De lectuur moet hem hebben beïnvloed, als lezer, maar ook als dichter. Het is merkwaardig dat naar een relatie tussen Starings poëzie en het werk van toen jonge Duitse dichters geen onderzoek is gedaan. Ook zijn groot gevoel voor de natuur ontwikkelt zich in zijn Göttingse jaren, mede door een grote reis door Duitsland, samen met twee medestudenten. Lyrische uitlatingen over de Duitse natuur komen in het verslag van zijn reis veelvuldig voor. Hij geniet van de natuur, op een overigens nog vrij onromantische wijze. Zijn natuurgevoeligheid heeft zonder twijfel zijn dichterlijke gevoeligheid versterkt. (In zijn gedichten horen natuurbeschrijvingen vaak tot de hoogtepunten). Hij ontdekte in Göttingen echter ook nieuwe wetenschappen; hij maakte kennis met grote geleerden. Staring kreeg, lijkt het na Harderwijk de ruimte.

Vanuit Harderwijk en Göttingen correspondeert Staring met een oom, die dominee is in Gouderak: J. G. Staringh. Starings brieven aan hem zijn verloren gegaan. Wat hij schreef laat zich uit de brieven van de oom opmaken. J. G. Staringh beschouwde zijn neef als zijn derde zoon; de band tussen de twee was zeer hecht. Alle brieven van de oom uit de gegeven periode zijn door Evers uiteraard opgenomen. Hij gaat in zijn inleiding uitvoerig in op de correspondentie, compleet met citaten. En men moet voor de zoveelste keer vaststellen dat de inleiding bij een briefwisseling altijd de meest saillante uitspraken weet te citeren. De pap blijft over. Dus ook de pap van de oom, die een wat oubollige man is, een bezorgde zeur ook een beetje en soms een soort dorpskrant. Meestal onder het kopje 'alia' schrijft hij de laatste nieuwtjes op. Het is verbluffend - zoals op meer plaatsen in het boek - hoe Evers nagenoeg iedereen heeft weten te identificeren. De onsterfelijkheid van Staring haalt heel wat vergeten doden even uit het graf.

IN Harderwijk had Staring een intieme vriend. Hij zal tot diens dood met hem in relatie blijven. Zijn vroege brieven aan Staring zijn bewaard gebleven en ze zijn alleen al hierom het lezen waard: de idealiserende vriendschap uit die tijd wordt er heel goed in zichtbaar; de taal lijkt vaak met zichzelf te dwepen en gevoelens worden groter verwoord dan zij in werkelijkheid waarschijnlijk waren. Men schrijft ook persoonlijke brieven altijd binnen de conventies van de tijd. Hij laat zich nog het meest gaan in het Frans, waarin een deel van de brieven is geschreven. Eén citaat: 'Vous aurez le même tabac que je fume aussi - sacrifiez la première pipe du moins à ma memoire, me faire rien, pendant que vous savourez les delices de cette pipe odoriferante qu'à penser à moi, à notre siècle d'or passé - à vos amis et les miens.'

Het Frans lijkt uit een wat verstopte pijp te komen, maar de overdreven gevoelens komen mooi over. Het is jammer dat ook in dit geval Starings brieven niet bewaard zijn gebleven, we zouden graag de toonhoogte van zijn taal kennen.

De brieven aan zijn moeder, stiefvader en een oom geven vooral heel veel informatie; ze zijn ook zeer opgewekt van toon: een zoon en neef is bezig de wereld te ontdekken. In aanhankelijkheids- en liefdesbetuigingen lijken ze zeer traditioneel, nogal retorisch ook. Het verhaal gaat Staring beter af dan de ontboezeming, en dat kan typerend worden genoemd. Hij geeft geen 'landbouwerlijke remarques', want de velden staan leeg, maar de student landbouwkunde is altijd uit op ontdekkingen van nieuwigheden.

Het boek sluit af met de weinig interessante reisdagboeken en met de teksten die medestudenten en een enkele hoogleraar schreven in Starings Alba Amicorum. De bijdragen in het Latijn zijn schaars. De kennis en het citeren van klassieke auteurs wordt bij de nieuwe generatie minder. De oom-dominee vat nog altijd een lange mededeling samen in een Latijnse spreuk of citaat. De oude taal begint dood te gaan.

Wat hebben we nu door een gedetailleerd onderzoek van jaren? Een aanvulling op onze kennis van Starings jonge jaren. Maar, mede door de inleiding en aantekeningen, ook het beeld van een tijdvak, politiek - het zijn roerige jaren in Nederland - wijsgerig en literair. Dat is niet veel, maar allerminst weinig. Een paar onbekende weggetjes staan nu op die oneindige kaart van de literatuurgeschiedenis. Meer is niet mogelijk. En zal nooit mogelijk worden. Supplementen zijn het hoogst bereikbare. Berichten uit de Achterhoek.

Dr. M. Evers, De vormingsjaren van A. C. W. Staring, brieven en documenten betreffende zijn studietijd in Harderwijk en Göttingen, 1784-1789. Uitgeverij Verloren, Hilversum, *57,60.

Meer over