Benazir Bhutto en haar snorremans

De eerste openbare uitbarsting van de schrijfster Philomène Tralala dient zich aan tijdens een diner met de Franse minister van Cultuur en Benazir Bhutto, de eerste vrouwelijke president van Pakistan....

'Hé zeg 'es! Ik schrijf, ben geen callgirl! Trouwens, wat is dateigenlijk, die Bhutto? Nou? Wat moet ze daar? En ik? Wat vreten we daareigenlijk uit met z'n tweeën naast die vrolijke vrijer? Sjanker! Neeeerlijk gezegd begint die Bhutt' me op m'n zenuwen te werken. . . Diestarlet-allures met die initialen van haar, haar groene hoofddoekje, haarsari, die verdomde snorremans van een echtgenoot van d'r, pooierachtigegladakker.' Een moment later verandert het chique diner op slag in eenordinaire knokpartij.

Het gebeurt haar vaker, deze Philomène Tralala, schrijfster vanMarokkaanse origine en hoofdpersoon van de nieuwe roman van de in 1958 inMarokko geboren, in Parijs geschoolde en aan de Vrije Universiteit inAmsterdam economie docerende auteur Fouad Laroui. Het tragische einde vanPhilomène Tralala schreef hij in het Frans, als alle romans die hijsinds zijn met de Prix-Albert Camus bekroonde debuut De tanden van detopograaf (1996) publiceerde; in 2002 verscheen zijn eerste direct in hetNederlands geschreven dichtbundel, Verbannen woorden.

In Het tragische einde van Philomène Tralala ontsteekt Philomène omde tien bladzijden in woede. En dan brult en tiert ze, deelt klappen uiten smijt met alles wat ze tegenkomt. Haar uitgever Plumme doet er alles aanom haar reputatie als heethoofd bij te schaven. Ze moet op televisie enmeedoen met debatten: een tegenoffensief om aan haar imago als exotische,sexy schrijfster te werken.

Maar juist van dat imago wil Philomène af. Ze voelt zich meer thuisbij Victor Hugo en René Descartes dan bij Ibn Khaldoun of imam Ali. Vanafhaar kindertijd echter zien mannen haar als een exotisch object, ietswaarnaar je mag graaien en waarin je kan knijpen, waarbij je aan je geriefkan komen. Het onrecht dat haar is aangedaan, broeit nog steeds. En telkenswanneer ze als een kat in het nauw in het hokje van de exotische schrijverswordt geduwd, wordt ze witheet.

Dat Philomène geen geloofwaardig personage is, doet er niet zo veeltoe: je kunt haar beschouwen als de karikatuur dat de Westerse maatschappijvan haar maakt. Wel jammer is dat het getier op den duur wat langdradigwordt. Na de derde uitbarsting weet je het wel. De afschuwelijke jeugd vanPhilomène - ouders plegen kort na elkaar zelfmoord, het meisje wordt vanafhaar elfde misbruikt - verandert daar niet veel aan.

Het is eenvoudigweg de verklaring voor de niet aflatende kwaadheid vanPhilomène. Larouis grillige en brullende stijl à la Céline houdt hetboek nog enigzins overeind, maar hij had Philomènes tragische einde metiets meer suggestie en veel minder woorden kunnen beschrijven.

Wineke de Boer

Meer over